HR, 15-04-2016, nr. 12/05479
ECLI:NL:HR:2016:649
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-04-2016
- Zaaknummer
12/05479
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:649, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑04‑2016; (Cassatie, Uitspraak na prejudiciële beslissing)
ECLI:NL:HR:2014:1373, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2014; (Cassatie, Prejudicieel verzoek)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2297
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑06‑2014
- Vindplaatsen
BNB 2016/137 met annotatie van G.J. van Slooten
FED 2016/84 met annotatie van M. Chin-Oldenziel
NLF 2017/0410
Douanerechtspraak 2016/47
NTFR 2016/1280 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2016-0233
FutD 2016-0970
Viditax (FutD) 2016041511
BNB 2014/185 met annotatie van G.J. van Slooten
Douanerechtspraak 2014/58
NTFR 2014/1789 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2014-0289
FutD 2014-1368
Viditax (FutD) 2014061307
Uitspraak 15‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Douanerechten en omzetbelasting; art. 203 en 204 CDW; art. 365 (oud) en 366, UCDW; douaneregeling extern communautair douanevervoer niet volgens de regels beëindigd; douaneschuld ontstaat vanwege een onttrekking aan het douanetoezicht (art. 203 CDW), ondanks het feit dat vaststaat dat de goederen buiten het douanegebied van de EU zijn gebracht; eindarrest na HvJ 29 oktober 2015, B&S Global Transit Center B.V., C-319/14, ECLI:EU:C:2015:734.
Partij(en)
15 april 2016
nr. 12/05479bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van B&S Global Transit Center B.V. te Dordrecht (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 2012, nrs. 11/00375, 11/00376 en 11/00377, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1. De loop van het geding in cassatie tot dusver
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 juni 2014, nr. 12/05479, ECLI:NL:HR:2014:1373, BNB 2014/185, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 29 oktober 2015, B&S Global Transit Center B.V., C-319/14, ECLI:EU:C:2015:734, V-N 2015/59.14, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“De artikelen 203 en 204 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006, moeten aldus worden uitgelegd dat een verzuim om te voldoen aan de verplichting om onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen aan te brengen op het kantoor van bestemming, niet een douaneschuld doet ontstaan op grond van artikel 204 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1791/2006, maar op grond van artikel 203 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1791/2006, wanneer de betrokken goederen het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten en het subject van deze regeling niet in staat is documenten over te leggen die in overeenstemming zijn met artikel 365, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, in de versie van verordening (EG) nr. 993/2001 van de Commissie van 4 mei 2001, of met artikel 366, leden 2 en 3, van verordening nr. 2454/93, in de versie van verordening (EG) nr. 1192/2008 van de Commissie van 17 november 2008.”
De Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
2. Nadere beoordeling van de middelen
Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 3.4.2 van het hiervoor onder 1 vermelde arrest van de Hoge Raad alsmede gelet op de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht is juist ’s Hofs oordeel dat de onderhavige goederen doordat deze niet zijn aangebracht bij een kantoor van bestemming, aan het douanetoezicht zijn onttrokken, zodat - ongeacht of de goederen buiten het douanegebied van de Europese Unie zijn gebracht - op grond van artikel 203, lid 1, van het Communautair douanewetboek een douaneschuld is ontstaan. De middelen falen derhalve.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2016.
Uitspraak 13‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Douanerechten en omzetbelasting; art. 92, 96, 203 en 204 CDW; art. 365 (oud), 366 en 859, aanhef en onder 6, UCDW; douaneregeling extern communautair douanevervoer niet naar behoren beëindigd; bewijs dat de goederen in een derde land zijn aangekomen. Prejudiciële vragen over toepassingsbereik art. 859, aanhef en onder 6, UCDW.
Partij(en)
13 juni 2014
nr. 12/05479
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 2012, nrs. 11/00375, 11/00376 en 11/00377, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting en beschikkingen op verzoeken om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is bij aanslagbiljetten van 24 mei 2007, 1 juli 2008 en 4 november 2008, uitgenodigd tot betaling van douanerechten en omzetbelasting. De uitnodigingen tot betaling van 1 juli 2008 en 4 november 2008 zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen door belanghebbende gedane verzoeken om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting afgewezen. De beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 09/350, 09/2450 en 09/2452) heeft het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de uitnodigingen tot betaling van 4 november 2008 en 1 juli 2008 vernietigd, en de Inspecteur gelast teruggaaf te verlenen van een bedrag van € 325 aan douanerechten en een bedrag van € 184,50 aan omzetbelasting.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende, een logistiek dienstverlener, heeft op 3 juli 2006, op 13 augustus 2007 en op 18 december 2007, elektronisch aangifte gedaan tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. Als douanekantoor van bestemming waren op deze aangiften vermeld respectievelijk Bremerhaven, Antwerpen en Bremerhaven. De onder de regelingen extern communautair douanevervoer geplaatste goederen betroffen voedingsmiddelen (zakken basmatirijst en/of taartvullingen en/of instant noedels).
3.1.2.
De bevoegde douaneautoriteiten van het kantoor van vertrek hebben op 4 augustus 2006, 26 september 2007 respectievelijk 24 januari 2008 aan belanghebbende bericht dat het noodzakelijke terugzendingsexemplaar dan wel de elektronische terugmelding niet was ontvangen van de hiervoor in 3.1.1 vermelde kantoren van bestemming. Daarbij werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de douaneregeling op regelmatige wijze was beëindigd, dan wel informatie te verschaffen teneinde een nasporingsprocedure te kunnen inleiden.
3.1.3.
Belanghebbende heeft in reactie op de hiervoor in 3.1.2 bedoelde berichten diverse bescheiden, waaronder vervoersdocumenten van de vervoerder, zogenoemde bills of lading, aan het kantoor van vertrek overgelegd.
3.1.4.
De Inspecteur heeft met betrekking tot de drie aangiften voor douanevervoer verzoeken tot nasporing aan de kantoren van bestemming Bremerhaven respectievelijk Antwerpen gericht. Deze kantoren van bestemming hebben daarop bericht dat noch de goederen noch het bijbehorende document aldaar zijn aangeboden, en dat zij geen nadere inlichtingen konden verstrekken. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende overgelegde bescheiden geen bewijsstukken vormen als bedoeld in de artikelen 365 en 366 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de UCDW) en dat de regeling extern communautair douanevervoer in alle drie gevallen niet als beëindigd kan worden beschouwd. Omdat de goederen niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en de goederen daarom volgens de Inspecteur aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203, lid 1, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), heeft hij uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting uitgereikt aan belanghebbende, zijnde de aangever, met betrekking tot de hiervoor in 3.1.1 vermelde aangiften voor douanevervoer.
3.1.5.
Belanghebbende heeft met betrekking tot twee douaneaangiften bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling en met betrekking tot de derde douaneaangifte een verzoek om terugbetaling gedaan, een en ander onder overlegging van aanvullende bescheiden zoals bills of lading en bevestigingen van ontvangst van de goederen in derde landen teneinde te bewijzen dat de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en dat de goederen het grondgebied van de Europese Unie hebben verlaten. De bevestigingen van ontvangst van de goederen zijn afgegeven door respectievelijk voor de Verenigde Naties aanwezige strijdkrachten in Abidjan, Ivoorkust, voor de NAVO aanwezige strijdkrachten in Kabul, Afghanistan, en voor de Verenigde Naties aanwezige strijdkrachten in Port au Prince, Haïti.
3.1.6.
De Inspecteur heeft op het hiervoor in 3.1.5 bedoelde verzoek om terugbetaling afwijzend beslist. De door belanghebbende gemaakte bezwaren tegen de uitnodigingen tot betaling alsmede het bezwaar tegen de afwijzende beslissing op het verzoek om terugbetaling heeft de Inspecteur bij uitspraak afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende met de door haar overgelegde bescheiden aannemelijk heeft gemaakt dat bij alle drie aangiften sprake is geweest van een verzuim dat zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de regeling douanevervoer, een en ander als bedoeld in artikel 204 van het CDW in samenhang gelezen met artikel 859, aanhef en onder 6, van de UCDW, zodat niet op grond van artikel 203 of artikel 204 van het CDW een douaneschuld is ontstaan.
3.2.1.
Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de Inspecteur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen van de goederen bij het kantoor van bestemming is aangebracht in de zin van artikel 92 en artikel 96 van het CDW. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat geen van de door belanghebbende overgelegde bescheiden en verklaringen voldoet aan de dwingend voorgeschreven voorwaarden die artikel 365, lid 3 (tekst tot 1 juli 2009), en artikel 366, leden 2 en 3 (tekst vanaf 1 juli 2008) van de UCDW stellen aan het bewijs voor de beëindiging van het douanevervoer.
3.2.2.
Het Hof heeft onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 februari 2004, Hamann International GmbH, C‑337/01, ECLI:EU:C:2004:90, Douanerechtspraak 2004/29, en van de Hoge Raad van 21 januari 2005, nr. 38528, ECLI:NL:HR:2005:AI0754, BNB 2005/141, geoordeeld dat de goederen aan het douanevervoer zijn onttrokken en dat op grond van artikel 203, lid 1, van het CDW een douaneschuld is ontstaan. Of de goederen het douanegebied hebben verlaten is volgens het Hof in dit verband niet relevant. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat ingeval de goederen in het derde land zijn aangekomen en aldaar worden geconsumeerd, geen douaneschuld kan ontstaan.
3.2.3.
Met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 2002, Liberexim B.V., C‑371/99, ECLI:EU:C:2002:433, BNB 2003/158, geoordeeld dat op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip waarop de onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW plaatsvindt, tevens een onttrekking plaatsvindt in de zin van artikel 61 van BTW‑richtlijn 2006 en artikel 18, lid 1, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2005, nr. 38529, ECLI:NL:HR:2005:AS3538, BNB 2005/142, heeft het Hof geoordeeld dat aan voormeld oordeel niet afdoet dat naar nationale maatstaven is bewezen dat de goederen het douanegebied hebben verlaten.
3.3.
De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 3.2 omschreven oordelen van het Hof met het betoog dat het Hof op onjuiste gronden heeft geconcludeerd tot een onttrekking van de onderhavige goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, van het CDW.
3.4.1.
In artikel 92 van het CDW is bepaald dat de regeling extern douanevervoer eindigt en de verplichtingen van het subject zijn nagekomen wanneer de onder de regeling geplaatste goederen samen met de vereiste documenten bij de douane worden aangebracht op het douanekantoor van bestemming overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling. Ingevolge artikel 96 van het CDW is de aangever het subject van de regeling extern communautair douanevervoer.
In artikel 363 van de UCDW in samenhang gelezen met artikel 365, lid 2, van de UCDW is omschreven hoe de controle op de beëindiging van de regeling communautair douanevervoer plaatsvindt, waaronder blijkens artikel 92 van het CDW is begrepen het aanbrengen van de goederen bij het douanekantoor van bestemming. Deze controle vindt plaats door het kantoor van vertrek aan de hand van de ontvangst van het bericht van het kantoor van bestemming dat de goederen aldaar zijn aangekomen. Zo het kantoor van vertrek niet langs deze weg door het kantoor van bestemming is geïnformeerd over de beëindiging van de regeling douanevervoer, voorzien artikel 365, leden 2 en 3, van de UCDW (tekst tot 1 juli 2009) alsmede artikel 366, leden 2 en 3, van de UCDW (tekst vanaf 1 juli 2008) erin dat dan de aangever de gelegenheid wordt geboden het bewijs te leveren dat de regeling communautair douanevervoer is beëindigd dan wel dat deze regeling als beëindigd kan worden beschouwd. Niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat deze artikelen uitsluitend van belang zijn voor het leveren van het bewijs dat de regeling communautair douanevervoer is beëindigd dan wel dat de regeling communautair douanevervoer als beëindigd kan worden beschouwd in de zin van artikel 92 van het CDW. Evenmin is voor redelijke twijfel vatbaar dat als bewijs van beëindiging van de regeling communautair douanevervoer enkel kunnen gelden documenten die voldoen aan de in artikel 365, leden 2 en 3, van de UCDW omschreven voorwaarden.
3.4.2.
Gelet op de hiervoor in 3.1 omschreven feiten is juist ’s Hofs oordeel dat de regeling douanevervoer voor de onderhavige zendingen niet is beëindigd in de zin van artikel 92 van het CDW noch beschouwd kan worden als zijnde beëindigd in voormelde zin.
3.5.1.
Met betrekking tot het vervoer en de bestemming van de onderhavige goederen heeft de aangever evenwel anders dan in de hiervoor in 3.2.2 vermelde arresten van het Hof van Justitie het geval is onder verwijzing naar artikel 859, aanhef en onder 6, van de UCDW diverse documenten overgelegd om te bewijzen dat sprake is geweest van een verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het CDW.
Artikel 859, aanhef en onder 6, van de UCDW is een uitwerking van artikel 204, lid 1, laatste zinsdeel, van het CDW en betreft onder meer gevallen waarin goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, het douanegebied van de Europese Unie verlaten zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld. Een en ander voor zover het verzuim geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhoudt, dat verzuim geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhoudt, en alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld (artikel 859, aanhef, van de UCDW).
3.5.2.
De vraag rijst of aan de hiervoor in 3.4.2 gedane constatering dat de regeling douanevervoer niet is beëindigd in de zin van artikel 92 van het CDW, waaronder de vaststelling dat goederen niet bij een kantoor van bestemming zijn aangebracht, zonder meer de conclusie moet worden verbonden dat goederen zijn onttrokken in de zin van artikel 203 van het CDW. Of laat die vaststelling onverlet dat sprake kan zijn van slechts het niet hebben voldaan aan een van de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling als bedoeld in artikel 204, lid 1, van het CDW, in welk geval van heffing moet worden afgezien indien sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen als bedoeld in artikel 204, lid 1, laatste zinsdeel, van het CDW in verbinding met artikel 859 van de UCDW?
3.5.3.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder het arrest van 20 januari 2005, C‑300/03, Honeywell Aerospace GmbH, ECLI:EU:C:2005:43, Douanerechtspraak 2005/48, kan worden gesteld dat het niet beëindigen van de regeling douanevervoer, dat wil zeggen het niet vervullen van de vereiste formaliteiten te weten het onder overlegging van het bijbehorende vervoersdocument aanbrengen van de goederen bij het kantoor van bestemming een onttrekking aan het douanetoezicht inhoudt. Anderzijds zou naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, C‑480/12, X B.V., ECLI:EU:C:2014:329 (hierna: de zaak X), kunnen worden gesteld dat niet sprake is van aan het verlaten van het douanegebied van de Europese Unie voorafgaand onttrekken aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het CDW in gevallen waarin de regeling douanevervoer niet is beëindigd, maar wel documenten zijn overgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat de desbetreffende goederen aansluitend op het vervoer dat onder de regeling extern communautair douanevervoer plaatsvond, het douanegebied hebben verlaten en ook overigens geen aanwijzingen bestaan dat de goederen in het economische circuit van de Europese Unie zijn terechtgekomen. Volgens deze opvatting kan het dan ervoor worden gehouden dat, aangezien de goederen niet in het handelsverkeer van de Europese Unie terecht zijn gekomen, (slechts) sprake is geweest van een schending van een verplichting in de zin van artikel 204, lid 1, van het CDW, zodat op grond van dat artikel een douaneschuld ontstaat, tenzij de persoon die mogelijkerwijze de schuldenaar is in overeenstemming met artikel 860 van de UCDW aantoont dat aan de in artikel 859 van de UCDW bedoelde voorwaarden is voldaan.
Het onderhavige geval onderscheidt zich van de situatie die in de zaak X aan de orde is in die zin dat in het onderhavige geval de goederen niet alsnog op enig moment binnen de Europese Unie onder douanetoezicht zijn gesteld.
3.5.4.
De Rechtbank heeft in hoger beroep onbestreden geoordeeld dat aan de hand van de commerciële documenten aannemelijk is geworden dat de goederen feitelijk via de havens van Antwerpen en Bremerhaven het douanegebied per schip hebben verlaten. De vraag rijst of op de onderhavige situaties artikel 859, aanhef en onder 6, van de UCDW van toepassing is, in het bijzonder rijst de vraag op welke verzuimen artikel 859, aanhef en onder 6, van de UDCW precies het oog heeft. Gaat het hier uitsluitend om verzuimen van (één van) de verplichtingen die samenhangen met de (weder)uitvoer van goederen zoals omschreven in de artikelen 182 tot en met 183 van het CDW of dient de zinsnede “zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld” zo te worden opgevat dat daaronder mede worden begrepen de formaliteiten die bij het kantoor van uitgang moeten worden vervuld om de in artikel 859, onder 6, van de UCDW bedoelde douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, te beëindigen met het oog op het vervolgens doen verlaten van het douanegebied? Zo dit laatste niet is uitgesloten, rijst de vraag of voor de toepassing van deze wetsbepaling volstaat dat belanghebbende aantoont dat de goederen, die onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer waren gesteld, het douanegebied hebben verlaten alsmede of aan dit bewijs bijzondere eisen zijn gesteld. Ook is niet duidelijk hoe in dit kader het vereiste, omschreven in artikel 859, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW, inhoudende dat “alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld” moet worden opgevat in samenhang gelezen met hetgeen als situatie in artikel 859, onder 6, van de UCDW is omschreven te weten dat de goederen het douanegebied hebben verlaten zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld.
3.6.
Gelet op het hiervoor in 3.5 overwogene zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen voorleggen van uitlegging van het Unierecht.
4. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:
1. Moeten de artikelen 203 en 204 van het CDW in samenhang gelezen met artikel 859 (in het bijzonder onder 6) van de UCDW zo worden uitgelegd dat wanneer de douaneregeling extern communautair douanevervoer niet is beëindigd, maar wel documenten zijn overgelegd die aannemelijk maken dat de goederen het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten, deze niet-beëindiging niet leidt tot het ontstaan van een douaneschuld wegens een onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het CDW, maar tot in beginsel het ontstaan van een douaneschuld op grond van artikel 204 van het CDW?
2. Moet artikel 859, onder 6, van de UCDW zo worden uitgelegd dat deze bepaling uitsluitend betreft de niet-nakoming van (één van) de verplichtingen die samenhangen met de (weder)uitvoer van goederen zoals omschreven in de artikelen 182 tot en met 183 van het CDW? Of dient de zinsnede “zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld” zo te worden opgevat dat onder “de vereiste formaliteiten” mede zijn begrepen de formaliteiten die voorafgaande aan de (weder)uitvoer moeten worden vervuld om de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst, te beëindigen?
3. Moet, bij bevestigende beantwoording van de laatste vraag, artikel 859, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW zo worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de hiervoor onder 2 bedoelde formaliteiten niet zijn vervuld, niet eraan in de weg staat dat in een geval als het onderhavige waarbij aan de hand van documenten is aangetoond dat de goederen het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten in aansluiting op het vervoer binnen de Unie geacht kan worden te zijn voldaan aan de voorwaarde dat “alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld”?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.
Beroepschrift 13‑06‑2014
1. Inleiding
1.1.
Namens [X] B.V (hierna ook aangeduid als ‘Belanghebbende’) heeft ondergetekende, […] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2012 met de kenmerken 11/00375, 11/00376 en 11/00377 inzake het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/[P] tegen de uitspraak in de zaken met de kenmerken AWB 09/350, 09/2450 en 09/2452 van de Rechtbank Haarlem (thans Noord-Holland, hierna aangeduid als ‘Rechtbank’)
1.2.
In de beroepsprocedure, alsook de procedure in hoger beroep stond ter discussie de vraag of een douaneschuld is ontstaan wegens niet-zuivering van douanevervoer en op grond van welke wetsbepaling deze douaneschuld is ontstaan, meer in het bijzonder artikel 203 CDW of 204 CDW. Wanneer de douaneschuld zou zijn ontstaan op grond van artikel 204 is in geschil of er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 859 TCDW en er derhalve sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen. Belanghebbende betoogde in de beroepsprocedure bij de Rechtbank dat geen douaneschuld is ontstaan, de inspecteur handhaaft zijn eerder in bezwaar ingenomen standpunt dat wel een douaneschuld is ontstaan.
1.3.
De Rechtbank heeft — samengevat — geconcludeerd dat er geen enkele aanleiding bestaat om aannemelijk te achten dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken zodat als al een douaneschuld ontstaat, deze douaneschuld ontstaat op grond van artikel 204 CDW. Voorts oordeelt de Rechtbank dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 859 TCDW zodat telkens sprake is geweest van een vormverzuim zonder werkelijke gevolgen. Ten aanzien van artikel 365 (later 366) TCDW stelt de Rechtbank dat het niet leveren van het in dit artikel gestelde bewijs niet tot gevolg heeft dat daarmee een douaneschuld ontstaat.
1.4.
De Douanekamer oordeelt — samengevat — dat de goederen niet zijn aangebracht bij het kantoor van bestemming en dat daarmee het douanevervoer niet is beëindigd. Het feit dat de goederen in een derde land zijn aangekomen en aldaar zijn geconsumeerd acht de Douanekamer niet relevant, evenals de stelling dat het niet anders kan dan dat de goederen zijn aangebracht. De Douanekamer komt daarom tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 92 en 96 CDW zodat op grond van artikel 203 CDW een douaneschuld is ontstaan. Aan behandeling van artikel 204 CDW en 859 TCDW komt de Douanekamer gezien het vorenstaande niet toe.
1.5.
Bij brief van 6 december 2012 heeft de griffier bij uw Raad de ontvangst van de beroepschriften bevestigd onder kenmerk F 12/05479 en verzocht om uiterlijk binnen zes weken de gronden van cassatie aan te voeren.
1.6.
Thans ga ik over tot de motivering van het cassatieberoep. Aan het beroep liggen de hierna beschreven — zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen — middelen van cassatie ten grondslag.
1.7.
Voor de vaststaande en niet ter discussie staande feiten verwijs ik naar de procesdossiers en uitspraken van de Rechtbank en Douanekamer, meer in het bijzonder naar de feiten zoals genoemd in onderdeel 2 van de uitspraak van de Douanekamer.
2. Grief I (goederen zijn niet aangebracht)
Grief I: Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2913/92, meer in het bijzonder artikel 92 en 96 en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, doordat de Douanekamer ten onrechte oordeelt dat vaststaat dat de zendingen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht terwijl zulks uit de bewijsmiddelen geenszins vaststaat en gezien de feiten ook onaannemelijk is.
2.1.
In onderdeel 6.3 – 6.5, 6.6 (gedeeltelijk) en 6.8 van de uitspraak overweegt de Douanekamer als volgt:
‘6.3.
Met betrekking tot het niet voldoen aan de voorwaarde dat de goederen zijn aangebracht bij het kantoor van bestemming heeft de inspecteur aangevoerd dat hij van de kantoren van bestemming te Antwerpen en Bremerhaven geen berichten van aankomst van de zendingen heeft ontvangen en dat zijn verzoeken om nasporing evenmin hebben geleid tot een bevestiging dat de goederen bij de kantoren van bestemming zijn aangebracht. Voor de twee zendingen naar Bremerhaven heeft de inspecteur, naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte informatie, ook nasporing verricht in Antwerpen, zonder dat dat enige informatie over de zendingen heeft opgeleverd.
6.4.
Het Hof is gelet op het onder 6.3. overwogene van oordeel dat de inspecteur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen van de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht in de zin van artikel 92 en artikel 96 CDW.
6.5.
Met betrekking tot de voorwaarde dat de douaneregeling is beëindigd heeft belanghebbende bills of lading en ontvangstbevestigingen overgelegd. De ontvangstbevestigingen zijn afgegeven door vertegenwoordigers van vredesmissies van de Verenigde Naties in respectievelijk Haïti, lvoorkust en Afghanistan. Naar 's Hofs oordeel kan op basis van deze verklaringen niet worden geoordeeld dat de regeling douanevervoer is beëindigd. Genoemde verklaringen voldoen niet aan de dwingend voorgeschreven voorwaarden die de artikelen 365, derde lid (tekst tot 1 juli 2009) en 366, tweede en derde lid (tekst vanaf 1 juli 2008) UCDW stellen aan het bewijs voor de beëindiging van het douanevervoer, omdat geen sprake is van douanedocumenten, noch van door de douaneautoriteiten gewaarmerkte documenten. Hetzelfde heeft te gelden voor de bills of lading.
6.6.
Gelet op het vorenoverwogene staat vast dat de zendingen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht en dat de douaneregeling voor de betrokken zendingen niet is beëindigd
[…]
6.8.
Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het niet anders kan zijn dan dat de goederen zijn aangebracht, dat de douaneregeling is beëindigd en dat dus geen onttrekking heeft plaatsgevonden, overweegt het Hof dat belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft erkend dat over de feitelijke gang van zaken uitsluitend bekend is dat de goederen door belanghebbende onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, dat deze goederen zich op enig moment hebben bevonden in containers, welke blijkens een bill of lading zijn uitgegaan per zeeschip vanuit de haven van Antwerpen en zijn aangekomen in een derde land. Deze omstandigheden zijn ten ene male onvoldoende om te concluderen dat geen onttrekking heeft plaatsgevonden. Ook deze stelling faalt derhalve.’
2.2.
Dit oordeel van de Douanekamer is onbegrijpelijk en daarmee onjuist:
- —
Onbegrijpelijk, en in ieder geval onvoldoende toegelicht, is het oordeel van de Douanekamer dat de inspecteur zich op goede gronden heeft gesteld op het standpunt dat geen van de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, terwijl uit de aangevoerde feiten en omstandigheden juist blijkt dat voldoende gegevens beschikbaar zijn op grond waarvan niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de goederen terdege moeten zijn aangebracht bij het kantoor van bestemming alvorens de goederen zijn (weder)uitgevoerd.
- —
Onjuist is het oordeel van de Douanekamer (r.o. 6.6 in relatie met r.o. 6.5) dat artikel 365 (later 366, ik spreek hierna echter steeds over 365) TCDW in dit kader relevant is om te beoordelen of de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht.
Toelichting cassatiemiddel
Inleiding
2.3.
De Douanekamer concludeert uiteindelijk dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 92 en 96 CDW omdat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Dit oordeel baseert de Douanekamer op berichten van de kantoren van bestemming Bremerhaven en Antwerpen inhoudende:
- —
Dat geen berichten van aankomst van de zendingen door deze kantoren van bestemming zijn verzonden;
- —
En dat ook de verzoeken om nasporing evenmin hebben geleid tot een bevestiging dat de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht.
2.4.
Hoewel de feiten en de hieraan verbonden conclusie op het eerste oog veelzeggend lijken, is het tegendeel waar. Uit de berichten van de beide kantoren van bestemming kan namelijk slechts worden geconcludeerd dat niet bekend is of de goederen zijn aangebracht. De kantoren hebben niets medegedeeld dat met zekerheid vaststaat dat de goederen niet zijn aangebracht, integendeel. In ieder geval kan niet de conclusie worden getrokken dat vaststaat dat de goederen niet zijn aangebracht.
2.5.
Deze conclusie trekt de Douanekamer in r.o. 6.4 echter — impliciet — wel: ‘Het Hof is […] van oordeel dat de inspecteur zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen van de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht’.
2.6.
Als al enige onduidelijkheid zou bestaan over de overwegingen van de Douanekamer, dan wordt deze onduidelijkheid in r.o. 6.6 wel weggenomen waar de Douanekamer expliciet concludeert dat de zendingen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. De motivering daartoe is echter onvolledig en in ieder geval onbegrijpelijk. Ik zal dat toelichten waarbij ik in onderdeel A. eerst r.o. 6.5. behandel en toelicht waarom artikel 365 TCDW niet relevant is voor de bewijsvoering inzake het aanbrengen bij het kantoor van bestemming. Daarna, in onderdeel B, ga ik nader in op r.o. 6.6 en 6.8. en licht ik nader toe waarom het oordeel van de Douanekamer onbegrijpelijk is, althans onvoldoende wordt gemotiveerd waaruit zou blijken dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zouden zijn aangebracht.
A. Artikel 365 TCDW: niet relevant voor bewijsvoering aanbrengen kantoor van bestemming
2.7.
Hoewel artikel 365 TCDW — zoals uit de jurisprudentie blijkt dwingend — voorschrijft hoe de regeling douanevervoer aan de hand van alternatief bewijsmateriaal kan worden beëindigd, zegt dit artikel niets over de bewijsmogelijkheden om aan te tonen dat de goederen al dan niet aan het kantoor van bestemming zijn aangebracht, in de situatie dat de douaneautoriteiten dit niet of niet als zodanig hebben vastgesteld en aan het kantoor van vertrek hebben medegedeeld.
2.8.
Met andere woorden, artikel 365 TCDW heeft geen betrekking op de vraag óf en hoe kan worden vastgesteld dat de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Een verwijzing en een beroep op artikel 365 TCDW in dit kader doet in deze dan ook niet ter zake. De juistheid van deze stelling volgt naar mijn mening ook uit de bepalingen van het ‘huidige’ artikel 366 lid 2 TCDW waarin is vastgelegd dat de beëindiging van het douanevervoer ook kan worden aangetoond door overlegging van documenten die zijn afgegeven en gewaarmerkt door in een ander land dan een lidstaat, ofwel in een derde land, gevestigde (douane)autoriteit.
2.9.
Uit het vorenstaande blijkt dat artikel 365 TCDW specifiek en uitsluitend betrekking heeft op de vraag op welke wijze het douanevervoer conform artikel 92 CDW kan worden beëindigd. De behandeling van en verwijzing naar de inhoud en toepassing van artikel 365 TCDW door de Douanekamer in het kader van de vraag of de goederen zijn aangebracht bij het kantoor van bestemming is dan ook onjuist en maakt dat de uitspraak van de Douanekamer niet in stand kan blijven.
B. Oordeel Douanekamer onbegrijpelijk: onvoldoende motivering aanbrengen kantoor van bestemming
2.10.
In de procedure voor de Rechtbank alsmede voor de Douanekamer zijn een groot aantal feiten aangevoerd waaruit blijkt dat het zeer aannemelijk is, zelfs onaannemelijk dat het tegendeel waar is, dat de goederen niet anders de Europese Gemeenschap hebben kunnen verlaten, dan dat ze eerst bij de Douane, meer in het bijzonder het kantoor van bestemming, zijn aangebracht.
2.11.
Ik verwijs in dit kader naar al hetgeen in de procedures is aangevoerd, meer in het bijzonder inzake het feit dat de goederen op reguliere wijze via een aangewezen haven de Europese Gemeenschap zijn uitgegaan en de goederen daarna onder dekking van diverse documenten hun weg hebben vervolg naar een bestemming buiten de EG.
2.12.
Deze vervoersbeweging — die niet ter discussie staat, ook niet met inachtneming van r.o. 6.8. van de uitspraak — in relatie met het wettelijk kader, maakt dat vaststaat dat de goederen moeten zijn aangebracht. Ik heb dat in het verweerschrift in hoger beroep reeds toegelicht in onderdeel 3.13 en 3.14:
‘3.13.
Aanbrengen in de zin van artikel 96 CDW, betekent, ingevolge artikel 4 lid 19 CDW, dat een mededeling wordt gedaan van de aankomst van de goederen bij het bevoegde kantoor. In dit geval moet, voor toepassing van artikel 96 CDW, dus een mededeling worden gedaan dat de goederen — die onderwerp zijn van de aangifte voor douanevervoer — op enigerlei wijze zijn aangekomen. Deze melding moet zijn gedaan. Op grond van artikel 182quater CDW, moet immers minimaal een kennisgeving, of anders een summiere aangifte, zijn gedaan van het uitgaan van de goederen.
3.14.
Dat deze goederen zijn uitgegaan staat vast. Een summiere aangifte of kennisgeving moet dan ook automatisch bij de bevoegde autoriteiten van het kantoor van uitgaan zijn gedaan. Nu het kantoor van uitgaan en het kantoor van bestemming hetzelfde kantoor zijn, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de autoriteiten van het kantoor van bestemming een mededeling is gedaan van de aankomst van de goederen. De goederen zijn daarmee aangebracht ingevolge artikel 96 CDW. Dat de autoriteiten van het kantoor van uitgaan, respectievelijk kantoor van bestemming niet in staat zijn om de kennisgevingen op een afdoende wijze te verwerken, doet aan het vorenstaande niets af.’
2.13.
Ik voeg daar in het kader van deze motivering aan toe dat uit artikel 183 CDW blijkt dat goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten per definitie aan douanetoezicht zijn onderworpen en overeenkomstig de bepalingen door de douaneautoriteiten aan controles worden onderworpen. Uit ditzelfde artikel blijkt dat de goederen langs de door de douaneautoriteiten vast te stellen weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze moeten zijn uitgaan.
2.14.
In dit kader is ook relevant dat uit beschikbare informatie en documentatie vaststaat dat bij de twee betreffende kantoren van bestemming veelvuldig problemen bestaan met de uitvoering van de beëindiging van het douanevervoer en er een feitelijke onmogelijkheid bestaat om alternatief bewijs te verkrijgen. Ik verwijs in dit kader naar de pleitnota in hoger beroep, meer in het bijzonder r.o. 3.3 – 3.7:
‘3.3.
Ondanks het feit dat de onderliggende problematiek — het feit dat de goederen wel zijn aangekomen bij het kantoor van bestemming, maar aldaar niet (op de juiste wijze door de douaneautoriteiten) zouden zijn afgemeld — onderwerp is geweest in diverse overleggen, waaronder het Overleg Douane Bedrijfsleven, doet de inspecteur of hij hier niets van herkend. Het is blijkbaar Belanghebbende die dit alles over zich af heeft geroepen. Het tegendeel is echter waar.
3.4.
Het is de Douane zelf, zowel in Nederland, als in andere lidstaten — die de niet-zuivering in de hand werkt. Ik zal dat toelichten.
3.5.
Het uitgangspunt van de inspecteur dat artikel 96 CDW veronderstelt dat een aangifte wordt beëindigd doordat de goederen worden aangebracht bij het kantoor van bestemming is in beginsel juist. Dat is echter in veel gevallen niet of niet meer mogelijk. Immers, de fysieke toestand, zoals die enkele jaren nog wel gold, is in de tussentijd nogal gewijzigd. Anders dan voorheen is bij het fysiek beëindigen van de regeling douanevervoer — wanneer de goederen op de terminal worden afgeleverd en dus worden ingeslagen in de ruimte voor tijdelijke opslag — geen Douane meer aanwezig. Het is een medewerker van de terminal die documenten in ontvangst neemt en dus eigenlijk de ‘baliefunctie’ op zich heeft genomen van het kantoor van bestemming. Ik verwijs nogmaals naar het verslag van het ODB.
3.6.
De Douane zit dus op een andere locatie en is bij de beëindiging van het douanevervoer niet direct betrokken, niet benaderbaar en niet bereikbaar. Omdat de terminal niet als toegelaten geadresseerde fungeert, kan de terminal ook geen alternatief bewijs afleveren. Een ontvangstbewijs TC 11 (conform artikel 362 TCDW) wordt evenmin afgegeven. Ik ga er van uit dat de inspecteur deze werkelijkheid niet ook in twijfel gaat trekken, maar als hij dat wel wil doen, dan verwijs ik in dit kader naar de stemmingsbarometer 2010, pagina 28, waaruit blijkt dat een bijzonder groot gedeelte van de respondenten vindt dat douanekantoren van bestemming niet goed functioneren en er een feitelijke onmogelijkheid bestaat om alternatief bewijs te verkrijgen.
3.7.
Uit diezelfde stemmingsbarometer mag overigens ook duidelijk blijken dat het Antwerpen is die met kop en schouders uitstak boven de rest, maar dan wel in negatieve zin. Namelijk het kantoor van bestemming waar de meeste problemen inzake het niet-zuiveren van douanevervoer bestaan. Overigens wordt ook Bremerhaven in de stemmingsbarometer genoemd.’
2.15.
Deze verschillende feiten in onderlinge samenhang beschouwd, maken het oordeel van de Douanekamer dat vast staat dat de zendingen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht en daarmee de regeling douanevervoer niet is beëindigd, onbegrijpelijk en ook onjuist.
3. Grief II (onttrekking en douaneschuld)
Grief II: Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2913/92, meer in het bijzonder artikel 203 en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, doordat de Douanekamer ten onrechte en onbegrijpelijk oordeelt dat vaststaat dat er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht.
Toelichting cassatiemiddel
3.1.
In onderdeel 6.2, 6.6 (althans gedeeltelijk), 6.7 en (wederom) 6.8 van de uitspraak overweegt de Douanekamer als volgt (ik merk overigens op dat de tekst van de uitspraak zoals verzonden naar Belanghebbende en de tekst van de uitspraak zoals opgenomen op ‘rechtspraak.nl’ niet identiek is. Zie bijvoorbeeld de verwijzing naar het Honeywell-arrest in r.o. 6.6 of de verwijzing naar het Hamann-arrest in r.o. 6.7):
‘6.2.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dient het begrip onttrekking aan het douanetoezicht in artikel 203 van het CDW aldus te worden opgevat dat het elk handelen of nalaten omvat dat tot gevolg heeft dat de douaneautoriteiten, al is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de in artikel 37, eerste lid, van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren (vgl. HvJ 29 april 2004, British American Tobacco, C-222/01, punt 47, en de daarin aangehaalde rechtspraak). Van een dergelijk handelen of nalaten is sprake indien het kantoor van vertrek van een zending die onder de regeling extern communautair douanevervoer is geplaatst, heeft vastgesteld
- (1)
dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en
- (2)
dat de douaneregeling voor de betrokken zending niet is beëindigd (HvJ 20 januari 2005, Honeywell Aerospace GmbH, C 300/03, punt 20).
6.6
[…] Hieruit volgt, gelet op het onder 6.2. vermelde arrest van het HvJ, Honeywell Aerospace, dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, zodat op grond van artikel 203, eerste lid, van het CDW een douaneschuld bij invoer is ontstaan.
6.7.
Of de goederen het douanegebied hebben verlaten, aan welke omstandigheid de rechtbank blijkens overweging 4.2. van haar uitspraak niet twijfelt, is in dit verband niet relevant (vgl. HvJ 12 februari 2003, Hamann International GmbH, C-337/01 en HR 21 januari 2005, nr. 38.528, LJN AIO754). De stelling van belanghebbende dat er ingeval de goederen in het derde land zijn aangekomen en aldaar worden geconsumeerd er geen douaneschuld kan ontstaan faalt derhalve.
6.8.
Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het niet anders kan zijn dan dat de goederen zijn aangebracht, dat de douaneregeling is beëindigd en dat dus geen onttrekking heeft plaatsgevonden, overweegt het Hof dat belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft erkend dat over de feitelijke gang van zaken uitsluitend bekend is dat de goederen door belanghebbende onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, dat deze goederen zich op enig moment hebben bevonden in containers, welke blijkens een bill of lading zijn uitgegaan per zeeschip vanuit de haven van Antwerpen en zijn aangekomen in een derde land. Deze omstandigheden zijn ten ene male onvoldoende om te concluderen dat geen onttrekking heeft plaatsgevonden. Ook deze stelling faalt derhalve.’
Inleiding
3.2.
Naast het feit dat de Douanekamer naar de mening van Belanghebbende ten onrechte oordeelt dat vaststaat dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht, is Belanghebbende ook van mening dat de Douanekamer ten onrechte en onbegrijpelijk oordeelt dat vaststaat dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken.
3.3.
Ik zal hierna toelichten waarom ik meen dat deze conclusie onjuist en onbegrijpelijk is, waarbij de volgende onderdelen worden behandeld:
- A.
Jurisprudentie aangehaald door de Douanekamer en de interpretatie en opmerkingen van Belanghebbende hieromtrent;
- B.
De onbegrijpelijkheid van het oordeel in r.o. 6.6 tweede volzin waarin wordt geconcludeerd dat de goederen zijn onttrokken omdat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht en het douanevervoer niet is beëindigd;
- C.
De onbegrijpelijkheid en onjuistheid van r.o. 6.8 waarin wordt gesteld dat al hetgeen door Belanghebbende is aangevoerd niet maakt dat geen sprake is van een onttrekking;
- D.
De mogelijkheid om zo nodig prejudiciële vragen te stellen.
A. Jurisprudentie aangehaald door Douanekamer
3.4.
De douanekamer verwijst naar en doet een beroep op de volgende arresten:
- —
HvJ 20 januari 2005, Honeywell Aerospace GmbH, C 300/03 (hierna ‘arrest Honeywell’)
- —
HvJ 12 februari 2003, Hamann International GmbH, C-337/01 (hierna ‘arrest Hamann’)
- —
HR 21 januari 2005, nr. 38.528, LJN AIO754 (hierna ‘arrest Poolse auto’)
3.5.
Ook wordt verwezen naar het arrest British American Tobacco, doch deze is niet of minder specifiek voor de beoordeling van deze casus en ik zal daar dan ook niet verder aandacht aan besteden.
Arrest Honeywell
3.6.
Met betrekking tot het arrest Honeywell concludeert de Douanekamer in r.o. 6.2, althans lijkt de Douanekamer te concluderen, dat wanneer het kantoor van vertrek heeft vastgesteld dat een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de douaneregeling niet is beëindigd, er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht omdat de douaneautoriteiten dan is belet douanecontroles uit te voeren. Ook in r.o. 6.6. komt de Douanekamer terug op het arrest Honeywell.
3.7.
Deze gevolgtrekking uit het arrest Honeywell, in het bijzonder r.o. 20, lijkt mij niet juist, althans niet in het kader van deze specifieke kwestie. Uit de betreffende rechtsoverweging blijkt specifiek dat het oordeel dat er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht — zoals in r.o. 19 van het arrest werd geconcludeerd — afhankelijk is van bepaalde feiten (onderstreping door mijzelf):
- 20.
Dat is het geval wanneer, zoals in het hoofdgeding, het kantoor van vertrek van de omstreden zending die onder de regeling extern communautair douanevervoer was geplaatst, heeft vastgesteld dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de douaneregeling voor de betrokken zending niet is beëindigd
3.8.
Ik concludeer dat in het arrest Honeywell als uitgangspunt gold en ook vaststond dat de goederen niet waren aangebracht. Dit volgt specifiek uit r.o. 11 :
‘… heeft ASA bij brief van 20 februari daaraanvolgend verklaard dat werd vastgesteld dat de overtreding in Italië was begaan.’
Arrest Hamann
3.9.
In r.o. 6.7. oordeelt de Douanekamer met verwijzing naar het arrest Hamann dat niet relevant is dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten. De Douanekamer verbindt hier uiteindelijk het aan dat de stelling van belanghebbende dat geen douaneschuld kan ontstaan gezien deze jurisprudentie faalt.
3.10.
Met inachtneming van de achtergrond van de onderhavige situatie en rechtsvraag is Belanghebbende van mening dat dit arrest minder relevant is, juist omdat in dit arrest niet ter discussie stond óf er sprake is geweest van een onregelmatigheid; daar was namelijk sprake van.
3.11.
Als vaststaand feit en niet in geschil wordt in r.o. 22 immers gesteld:
‘Bij beschikking van 30 april 1997 wees het Hauptzollamt dit verzoek af, op grond dat de betrokken goederen althans tijdelijk aan het douanetoezicht waren onttrokken aangezien zij niet waren geplaatst onder de regeling extern douanevervoer waaronder zij hadden moeten worden geplaatst toen zij van het douanekantoor van binnenkomst naar het douanekantoor van uitgang werden overgebracht.’
3.12.
Dat is ook de reden waarom het Bundesfinanzhof de vraag heeft gesteld of er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht en een douaneschuld ontstaat, ‘door het enkele feit dat in douane-entrepot geplaatste goederen uit derde landen, die voor wederuitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap bestemd zijn, niet onmiddellijk na uitslag uit het douane-entrepot onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst?’
3.13.
Overigens is ook van belang dat het arrest geen betrekking had op douanevervoer en de beëindiging van deze regeling en dus ook al helemaal niet over de bewijsvoering of goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht.
3.14.
Ik meen uit dit arrest af te moeten leiden, hetgeen ook uit de recente arresten van het Hof van Justitie van 6 september 2012 in de zaken C-28/11 en C-262/10 blijkt, dat wanneer er immer een douaneschuld is ontstaan wegens een onttrekking aan het douanetoezicht, deze onttrekking (en dientengevolge het ontstaan van de douaneschuld) niet kan worden gerepareerd door te stellen (en te bewijzen) dat de goederen nadien alsnog zijn (weder)uitgevoerd.
3.15.
Echter, nogmaals, het gaat in die gevallen steeds om situaties waarbij vaststaat dat er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht waarbij dan later een poging wordt gedaan om deze later te repareren. In de onderhavige gevallen is dat niet het geval. Geenszins staat vast dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. De bewijsvoering waaruit blijkt dat de goederen buiten de EG hun bestemming hebben gekregen en zijn verbruikt is dan ook niet ter bewijsvoering en reparatie van de onttrekking aan het douanetoezicht, maar voor de bewijsvoering dat de stelling van de inspecteur dat de goederen niet zijn aangebracht aan het kantoor van bestemming/
Arrest Poolse auto
3.16.
Naast het arrest Hamann verwijst de Douanekamer in r.o. 6.7 ook naar een arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2005, LJN AI0754. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad naar aanleiding van een door de Staatssecretaris ingediend beroepschrift tegen de uitspraak van de Douanekamer, waarbij de Douanekamer overwoog dat het geen reden heeft te twijfelen aan de echtheid van het in kopie overgelegde kentekenbewijs en het daarop alsmede op het document T-1 geplaatste stempel. De Douanekamer achtte aannemelijk dat de auto Nederland had verlaten en in Polen was gearriveerd en geregistreerd. Dat bracht de Douanekamer tot het oordeel dat de auto niet in Nederland aan de douaneregeling extern communautair douanevervoer is onttrokken.
3.17.
De Hoge Raad kwam echter tot een ander oordeel en oordeelde in r.o. 3.4.3:
‘Vaststaat dat belanghebbende niet is nagekomen zijn uit artikel 96 van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) voortvloeiende verplichting om de auto binnen de gestelde termijn ongeschonden aan het kantoor van bestemming aan te brengen, onder overlegging van de vereiste exemplaren van de aangifte en met inachtneming van de door de bevoegde autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen. In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat de auto evenmin onder overlegging van de vereiste exemplaren van de aangifte is aangebracht bij een ander kantoor van bestemming, in de zin van artikel 356, lid 3, van de Uitvoeringsverordening CDW (tekst 1996), en tevens dat met betrekking tot het feitelijke vervoer van de goederen niets is komen vast te staan.
Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat de auto is onttrokken aan het aan het douanevervoer verbonden douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het CDW […]’
3.18.
Ik ben van mening dat dit arrest van groot belang is om vast te stellen of een opgetreden onregelmatigheid die tevens kwalificeert als een onttrekking aan het douanetoezicht, alsnog kan worden gerepareerd. Ik meen echter, maar zal daar later nog op terugkomen, dat daar in de onderhavige kwestie geen sprake van is.
3.19.
In dit kader verwijs ik ook naar de noot van mr. Van Brummelen bij dit arrest in BNB 2005/141 (onderstreping door mijzelf):
‘Tijdens het douanevervoer van goederen wordt het douanetoezicht uitgeoefend op afstand met behulp van een te zuiveren douanedocument. Als dit document ongezuiverd blijft en ook na onderzoek niet komt vast te staan dat de vervoerde goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangekomen, dan rest er geen andere conclusie dan dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Daardoor ontstaat er een douaneschuld op grond van art. 203 CDW […]’
3.20.
Zoals uit het arrest zelf en ook uit de noot blijkt, is cruciaal in de betreffende situatie dat ‘met betrekking tot het feitelijke vervoer van de goederen niets is komen vast te staan’.
B. Onttrekking aan het douanetoezicht — r.o. 6.6 & 6.7
3.21.
In r.o. 6.6. tweede volzin concludeert de douanekamer dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken zodat op grond van artikel 203 CDW een douaneschuld is ontstaan. De grondslag voor deze vaststelling wordt gevormd door de eerste volzin van r.o. 6.6 alsmede de overwegingen in r.o. 6.7. en 6.8.
3.22.
In de vorenstaande grief en de toelichting erop heb ik reeds toegelicht waarom het oordeel van de Douanekamer naar de mening van Belanghebbende onjuist en onbegrijpelijk is wat betreft de vaststelling dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn gebracht en het douanevervoer niet is beëindigd. Voor zover de Hoge Raad deze grief passeert, ben ik van mening dat de Douanekamer onjuist en onbegrijpelijk oordeelt dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken.
3.23.
Dit oordeel is ten eerste onbegrijpelijk omdat de Douanekamer niet motiveert waar deze onttrekking uit bestaat.
3.24.
Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 februari 2001, zaak C-66/99, D. Wandel, moet het begrip ‘onttrekking’ aan het douanetoezicht worden opgevat als elke handeling of elk nalaten die/dat tot gevolg heeft, dat de bevoegde douaneautoriteit, zij het tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de controles uit te voeren als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het CDW.
3.25.
De Douanekamer motiveert echter in haar uitspraak niet, waar deze belemmering tot het uitvoeren van douanecontroles uit bestaat. In geen enkele overweging beschrijft de Douanekamer waarom de douaneautoriteiten het toezicht niet heeft kunnen uitoefenen bij de onderhavige omstandigheden. De enkele verwijzing in r.o. 6.6. naar het arrest Honeywell alsmede de andere overwegingen van de Douanekamer, kan de conclusie dat er sprake is geweest van een onttrekking aan het douanetoezicht niet dragen.
3.26.
Ook wanneer vast staat dat niet kan worden bepaald of de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en/of de regeling douanevervoer conform artikel 92 en/of 96 CDW is beëindigd, maakt dit níet dat hiermee vaststaat dat de goederen zijn onttrokken aan het douanetoezicht. Immers, er moet sprake zijn van een handeling die tot gevolg heeft gehad dat de Douane de toegang werd belemmerd tot de goederen en werd belet de controles uit te voeren.
3.27.
Nu de Douanekamer niet toelicht waarom er sprake zou zijn van een onttrekking en slechts concludeert dat de goederen niet zijn aangebracht aan het kantoor van bestemming en het douanevervoer niet — op reguliere wijze — is beëindigd, komt slechts vast te staan dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen van het douanevervoer. Dat maakt echter nog steeds niet dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 203 CDW, doch dat er hoogstens sprake zou kunnen zijn van een situatie zoals bedoeld in artikel 204 CDW. Dat er echter geen sprake is van een douaneschuld die ontstaat op grond van artikel 204 CDW mag blijken uit r.o. 6.9. van de uitspraak van de Douanekamer.
3.28.
De verwijzing naar het arrest Honeywell lijkt mij in deze niet of minder relevant. De feiten die in het arrest Honeywell als uitgangspunt gelden — namelijk dat de goederen niet waren aangebracht — zijn in de onderhavige kwestie geenszins vaststaand. Integendeel, in de onderhavige kwestie staat geenszins vast dat de goederen niet bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Gezien het feit dat uit r.o. 11 van het arrest blijkt dat in die betreffende casus juist wel vast stond dat er zich een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, zie ook onderdeel 3.8 van deze motivering, en dat dit in de onderhavige kwestie niet is gesteld, noch is gebleken, lijken mij het oordeel en de overwegingen van het Hof van Justitie in deze minder of zelfs niet relevant.
3.29.
Met betrekking tot het feit dat de goederen daadwerkelijk zijn uitgegaan — het douanegebied van de EG hebben verlaten — concludeert de Douanekamer in r.o. 6.7 dat dit niet relevant is met verwijzing naar het Arrest Hamann en Arrest Poolse auto. Ook dit oordeel is naar de mening van Belanghebbende onbegrijpelijk omdat de aangehaalde arresten geen betrekking hebben op een soortgelijk of voldoende gelijk geval.
3.30.
In dit kader is het Belanghebbende ten eerste onduidelijk wat de Douanekamer hiermee nu beoogt. Is de Douanekamer van mening dat gezien het arrest Hamann en de onderliggende feiten vast staat dat de goederen niet aan het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en daarmee niet is voldaan aan de verplichtingen óf gaat het over de onttrekking aan het douanetoezicht. Uitgaande van het laatste, merk ik op dat er een belangrijk onderscheid bestaat in de feiten die enerzijds ten grondslag lagen bij dit arrest en anderzijds de onderhavige feiten.
In eerstgenoemde situatie was terdege sprake van een onregelmatigheid waarbij ook moet worden geconcludeerd met inachtneming van de welbekende arresten Wandel en Liberexim, dat er sprake is geweest van een onttrekking aan het douanetoezicht.
3.31.
In de onderhavige gevallen is dat nadrukkelijk niet het geval. Geenszins staat vast dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. De bewijsvoering waaruit blijkt dat de goederen buiten de EG hun bestemming hebben gekregen en zijn verbruikt, dient dan ook niet ter bewijsvoering en reparatie van de onttrekking aan het douanetoezicht, doch ter bewijsvoering dat de stelling van de inspecteur dat de goederen niet zijn aangebracht aan het kantoor van bestemming niet juist kan zijn.
3.32.
Ook de verwijzing naar het arrest Poolse auto lijkt mij in dit kader niet of minder relevant. Het ging hier, zoals eerder gesteld, over de vraag of een opgetreden onregelmatigheid die tevens kwalificeert als een onttrekking aan het douanetoezicht, alsnog kan worden gerepareerd. In de onderhavige situatie is echter geen sprake van een dergelijke situatie, zodat een verwijzing naar dit arrest niet ter motivering van het oordeel van de Douanekamer kan dienen.
3.33.
De Douanekamer concludeert en motiveert met onder meer het arrest Honeywell, arrest Hamann en arrest Poolse auto, dat er sprake is van een situatie waarbij een onttrekking aan het douanetoezicht heeft plaatsgevonden en dat dit later niet kan worden gerepareerd, ook niet met de bewijsvoering dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.
3.34.
De gronden voor dit oordeel worden echter niet gedragen door de aangevoerde jurisprudentie. Ten eerste niet omdat in de onderhavige zaken, anders dan bij de diverse arresten, niet sprake is van een vaststaande onregelmatigheid die kwalificeert als een onttrekking aan het douanetoezicht.
3.35.
Ten tweede niet omdat bij de aangehaalde jurisprudentie, voor zover deze al betrekking had op douanevervoer, vast staat dat met betrekking tot het feitelijke vervoer van de goederen niets is komen vast te staan, terwijl in de onderhavige zaken juist veel en gedetailleerde informatie beschikbaar is.
3.36.
Gezien het vorenstaande is Belanghebbende daarom van mening dat de conclusie van de Douanekamer in r.o. 6.7. niet juist is en in strijd met het recht is en dat de vaststelling in r.o. 6.6 ook niet door andere gronden wordt gedragen.
C. Aangehaalde omstandigheden voldoende om te concluderen dat geen sprake is van onttrekking
3.37.
In r.o. 6.8. concludeert de Douanekamer dat de stellingen van belanghebbende onvoldoende zijn om te concluderen dat geen sprake is van een onttrekking.
3.38.
Belanghebbende meent dat ook deze overweging niet juist is, omdat de Douanekamer er van uit gaat dát er sprake is of is geweest van een onttrekking aan het douanetoezicht overeenkomstig artikel 203 CDW. Dat is echter, gezien al het vorenstaande geenszins het geval en neemt de Douanekamer dan ook onterecht als uitgangspunt.
3.39.
De aangehaalde feiten die ter zitting zijn toegevoegd maken niet dat hiermee wél is gebleken van een onttrekking aan het douanetoezicht. Integendeel, op grond van deze feiten en hetgeen hiervoor is overwogen moet nog steeds worden geconcludeerd dát de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht en dat van een onttrekking aan het douanetoezicht niet is gebleken.
D. Voorstel prejudiciële vragen
3.40.
Als de Hoge Raad ondanks het vorenstaande van mening is dat de uitspraak van de Douanekamer voldoende begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is, dan blijft Belanghebbende van mening dat onduidelijkheid bestaat over de uitleg en interpretatie van het begrip ‘onttrekking aan het douanetoezicht’ zoals bedoeld in artikel 203 CDW.
3.41.
Dat het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 92 en/of 96 CDW niet automatisch betekent dat een douaneschuld ontstaat, blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2012, LJN BQ6098 waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt over de vraag of een bepaalde situatie kwalificeert als een onttrekking in de zin van artikel 203 CDW.
3.42.
Het ging hier om een situatie waarbij goederen onder douanevervoer waren geplaatst en bedoeld waren voor een partij die de status van toegelaten geadresseerde ex artikel 406 TCDW zou hebben. De ontvanger had deze status echter niet. Later, buiten de vervoerstermijn, werden de goederen, zo volgt uit r.o. 3.1.2. alsnog bij het kantoor van bestemming aangebracht.
3.43.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het nodig is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
3.44.
Belanghebbende is van mening dat de onderhavige kwestie voldoende aanknopingspunten heeft om, wanneer niet reeds op grond van het vorenstaande blijkt dat het beroep in cassatie moet worden toegewezen, prejudiciële vragen te stellen over de vraag of in een situatie als de onderhavige moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een onttrekking aan het douanetoezicht en een douaneschuld ontstaat op grond van artikel 203 CDW.
4. Conclusie
4.1.
Op grond van het voorgaande moge ik uw Raad in overweging geven, de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen, en zelf in de zaak te voorzien door te oordelen dat er geen sprake is geweest van een onttrekking aan het douanetoezicht zoals bedoeld in artikel 203 CDW en de uitspraak van de Rechtbank te bekrachtigen, althans de zaak terug te verwijzen naar de Douanekamer, althans één van de Gerechtshoven.
4.2.
Voor zover uw Raad van mening zou zijn dat er onduidelijkheid bestaat over de toepassing en reikwijdte van artikel 203 CDW, moge ik uw Raad in overweging geven om prejudiciële vragen stellen.
4.3.
Tenslotte verzoekt Belanghebbende om een proceskostenvergoeding vast te stellen alsmede om vergoeding van het betaalde griffierecht.