De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.2:6.3.2 Toepasselijk recht op de overeenkomsten tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.2
6.3.2 Toepasselijk recht op de overeenkomsten tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399515:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4, tweede lid van Verordening Rome I. Vgl. voorts par. 6.23. Voor overeenkomsten gesloten vóór 17 december 2009 is het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EG-Verbintenissenverdrag) van 19 juni 1980, Tri). 1980, 156 (rectificatie Tri). 1991, 109) bepalend. Op grond van art. 4 van dat verdrag wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Ik meen dat dit tot dezelfde uitkomst zal leiden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals in de overeenkomsten tussen de Bureaus ontbreekt in alle overeenkomsten die door de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen zijn gesloten een bepaling omtrent het recht dat deze contracten beheerst. Ook daar geldt dat de vraag theoretisch interessant is, maar voor de praktijk van beperkt belang. De betrokken organen hebben hun afspraken zodanig vorm gegeven dat problemen in eigen kring lijken te kunnen worden opgelost. Ook daar zijn de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen gehouden hun geschillen langs de weg van arbitrage te beslechten.
Het antwoord op de vraag welk recht deze overeenkomsten beheerst, zal moeten worden gevonden met behulp van Verordening Rome L Bepalend zal zijn het recht van de lidstaat waar de partij die de kenmerkende prestatie verricht zijn gewone verblijfplaats heeft.1
In de praktijk is - vanzelfsprekend want zij zijn voornamelijk gesloten na de inwerkingtreding van de 4e Richtlijn in 2000, zulks in tegenstelling tot de overeenkomsten tussen de Bureaus die al uit het begin van de jaren '50 van de vorige eeuw dateren - met de werking van deze overeenkomsten nog maar weinig ervaring opgedaan. De sterke parallellen met de overeenkomsten van de Bureaus en de omstandigheid dat in veel lidstaten de Bureaus en de schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen nauw met elkaar zijn verbonden en zelfs soms in een en dezelfde rechtspersoon zijn ondergebracht geven het vertrouwen dat geschillen in de relaties tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen op even pragmatische wijze zullen worden opgelost als dat het geval is in het kader van het groenekaartstelsel. Het ontbreken van duidelijkheid omtrent het op deze overeenkomsten toepasselijke recht lijkt dan ook geen groot bezwaar te zijn.