Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/4.1.2
4.1.2 Bona fide verkrijger: type goed
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941790:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het achterhoofd moet worden gehouden dat deze zinsnede een wel erg gesimplificeerde weergave van de vermogensrechtelijke werkelijkheid vormt; niet inschrijfbare feiten zoals retentierechten hebben onder omstandigheden ook derdenwerking, en ook wetenschap van rechten bij derden kan de facto derdenwerking van deze rechten opleveren (de “tenzij hij het kende” in art. 3:24 BW).
Zie ook A. Knigge, ‘Het Haags Trustverdrag (1985)’, TVVS 1994/41, par. 4.7.
CoA 2 November 1995, 1 WLR 1014 (Macmillan Inc v Bishopsgate Investment Trust plc (no. 3)), p. 1014.
I.J. Hardingham, ‘Equitable Liens for the Recovery of Purchase Money’, Melbourne University Law Review 1985/15, p. 74. Dit is overigens ook minder noodzakelijk, omdat de Sale of Goods Act een meer consensueel systeem van overdracht kent voor roerende zaken: partijen mogen zelf kiezen wanneer de eigendom van een goed verspringt naar de koper, en in het geval in rechte geen aanknopingspunt valt te vinden voor de vraag wanneer dit zich voordoet, wordt de zaak geacht te zijn overgedragen bij het sluiten van de koopovereenkomst (zie art. 17 van de Act).
Net zoals het Nederlandse recht in de artikelen 3:23 en 3:24 BW een speciale regeling kent voor derdenbescherming bij registergoederen (naast de meer algemene regeling van art. 3:86 en 3:88 BW), kent het Engelse recht sinds 1925 voor onroerende zaken een aparte regeling van deze materie in de Land Registration Act (de meeste recente versie van deze wet stamt uit 2002), namelijk de artikelen 28 t/m 33. Deze artikelen bevatten kort gezegd de regeling die ook het Nederlandse recht kent: hetgeen is ingeschreven heeft derdenwerking, hetgeen niet is ingeschreven ontbeert dit effect.1 Het enige relevante verschil met het Nederlandse recht is dat ook de equitable interest een inschrijfbaar feit oplevert: de equitable interest van de koper in het geval van koop van onroerend goed lijkt zodoende op de Vormerkung.
Voor andere goederen dan land (bijvoorbeeld intellecutele eigendomsrechten of aandelen in vennootschappen) echter, geldt nog het systeem van vóór 1925: de equitable interest heeft derdenwerking, tenzij de derde verkrijger bona fide is (en een redelijke tegenprestatie verschaft). Omdat voor bovengenoemde typen goederen geen register bestaat waaruit de rechtstoestand blijkt, is B’s goederenrechtelijke aanspraak in het gekochte goed afhankelijk van het gegeven of C toevallig weet heeft van B’s aanspraak. In deze context moet worden opgemerkt dat de bewijslast op C rust – deze moet bewijzen dat hij geen weet heeft van B’s equitable aanspraak en bovendien geen reden heeft om nader onderzoek te doen (vergelijk art. 3:11 BW).2 Echter, C mag er in beginsel vanuit gaan dat hij met eerlijke mensen handelt (en dus niet met een A die het goed eerder verkocht heeft aan B).3 Bovengenoemde doctrine geldt overigens niet voor roerende zaken; daarvoor kent het Engelse recht de Sale of Goods Act, waarin een afzonderlijke regeling is opgenomen voor (onder meer) de overdracht van roerende zaken. De heersende opvatting is dat de Sale of Goods Act een uitputtende regeling vormt, en dat zodoende in die context geen sprake kan zijn van equitable interests.4