Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.4.2
2.4.2 Twee eeuwen discussie over de grondslag van het aansprakelijkheidsrecht
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713084:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1899, p. 5-6; Wertheim 1930, p. 1; Schut, WPNR 1969/5045, p. 270; Verheij 2023/1.7; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/27; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 3.1 (online, bijgewerkt online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Schut, WPNR 1969/5045, p. 270; Klaassen 1991, p. 8; Verheij 2023/1.7.
Schut, WPNR 1969/5045, p. 270; Verheij 2023/1.7. Het oude recht kende weliswaar enkele bepalingen voor aansprakelijkheid buiten schuld, zoals art. 1403 lid 3 (aansprakelijkheid van de werkgever voor schade veroorzaakt door ondergeschikten), art. 1404 (aansprakelijkheid voor dieren) en art. 1405 (aansprakelijkheid voor instortende gebouwen) OBW. De rechtsgrond van deze bepalingen werd veelal echter nog steeds in de schuldgedachte gezocht. Zie hierover ook: Klaassen 1991, p. 9.
Scholten 1899, p. 12; Wertheim 1930, p. 2; Slagter 1952, p. 55; Schut 1963, p. 55; Klaassen 1991, p. 9; Verheij 2023/1.7; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 3.1 (online, bijgewerkt online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Scholten 1899, p. 12; Schut 1963, p. 28.
Scholten 1899, p. 12. Scholten noemt dat het aantal spoorwegongelukken in de loop der tijd substantieel was toegenomen.
Slagter 1952, p. 55; Schut 1963, p. 28; Klaassen 1991, p. 9; Verheij 2023/1.7,
Wertheim 1930, p. 2; Slagter 1952, p. 38 e.v.; Schut, WPNR 1969/5045, p. 271; Klaassen 1991, p. 8-9.
Wertheim 1930, p. 2; Slagter 1952, p. 9; Klaassen 1991, p. 9.
Bijvoorbeeld: Scholten 1899.
Scholten 1899, p. 7, 80-81, 100.
Scholten 1899, p. 99 (curs. TdW-vdL).
Zie voor een uitgebreide bespreking: Scholten 1899, p. 82 e.v.; Bruins 1906, p. 114; Slagter 1952, p. 38 e.v.; Klaassen 1991, p. 9 e.v.
Het schuldbeginsel vormde in de tweede helft van de negentiende eeuw de grondslag van de buitencontractuele aansprakelijkheid.1 Het was een product van de toentertijd heersende individualistische en liberale opvattingen.2 Deze opvattingen namen tot uitgangspunt dat de staat zich zoveel mogelijk afzijdig moest houden van het economisch leven en het privéleven (laissez faire). Dit betekende dat men van het eigen handelen zowel de vruchten kon plukken, als de lasten moest dragen. Dit was slechts anders, indien iemand ten onrechte een ander schade had berokkend. Een rechtssysteem waarin veel aandacht was voor benadeelden en waar gezocht werd naar verevening van lasten sloot niet aan bij de laissez faire-gedachte uit deze tijd.3
Aan het einde van de negentiende eeuw bleek steeds vaker dat de grote mate van daderbescherming die het schuldbeginsel kenmerkte, problematisch was. In de literatuur wordt breed aangenomen dat door invloed van de technische en industriële ontwikkeling meer behoefte was aan aansprakelijkheidsvormen buiten schuld.4 Dit kwam ten eerste door de vergroting van potentiële gevaren waar mensen aan konden worden blootgesteld, zoals ontploffingen in fabrieken.5 Ten tweede was de frequentie waarmee men werd blootgesteld aan deze gevaren toegenomen.6 Ten derde was in voorkomende gevallen de relatie tussen laedens en gelaedeerde ongelijker geworden. Dit had vooral te maken met het feit dat simpele nijverheidsbedrijven waren veranderd in grote ondernemingen. Liep een werknemer schade op in de uitoefening van zijn werk, of liep een derde schade op door een defect product, dan bleek het dikwijls zeer lastig te zijn voor de benadeelde om te bewijzen dat de laedens zijn bedrijfsprocessen niet goed had georganiseerd en verwijtbaar had gehandeld.7
Om de benadeelde tegemoet te komen, nam de rechter soms afstand van het schuldvereiste. In plaats daarvan wendde hij zich tot schuldficties, bewijsvermoedens of objectivering van het – tot dan toe subjectieve – schuldvereiste.8 Hoewel het positieve recht enigszins veranderde, bleef men vasthouden aan het schuldbeginsel als rechtvaardigheidsgrond voor de buitencontractuele aansprakelijkheid.9 In de literatuur werd echter terecht de vraag gesteld of het schuldbeginsel nog wel als (enige) grondslag kon dienen.10
Uit bovengenoemde rechtspraktijk en uit het feit dat de wet in specifieke gevallen aansprakelijkheid buiten schuld mogelijk maakte, leidde Scholten af dat het schuldbeginsel niet de enige grond van buitencontractuele aansprakelijkheid is.11 Hij kwam tot deze conclusie op basis van het positieve recht en niet zozeer op basis van morele overwegingen. Morele overwegingen brachten hem er wel toe om het standpunt in te nemen dat het schuldbeginsel niet geheel was losgelaten als rechtvaardigheidsgrond:
“Zoolang we dus geen ander principe gevonden hebben, dat alle gevallen van de verplichting tot schadeloosstelling buiten contract omvat, zullen we het beginsel: schuld is grond der verbintenis hebben te behouden. En dit is niet alleen een toevlucht bij gebrek aan beter, maar ook deze leer biedt op zichzelf groote voordeelen. Helderder en duidelijker begrip vindt men moeielijk. Het rechtsgevoel zegt ons toch, dat het juist is op hem een schade te leggen, die door zich anders te gedragen dan hem past, haar heeft teweeggebracht.”12
Anderen meenden dat het schuldbeginsel als rechtvaardigheidsgrond is vervangen door een ander beginsel: het risicobeginsel. Het risicobeginsel is een vergaarbak voor uiteenlopende rechtvaardigingstheorieën en -beginselen. In de volgende paragraaf komen de voornaamste aan de orde.13