Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.2.2.2
12.2.2.2 Engeland
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372584:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pirelli General Cable Works Ltd v Oscar Faber & Partners, [1983] 2 AC 1 (HL).
Het moment waarop de cause of action accrued is objectief te noemen omdat het niet geënt is op het vermogen van de crediteur zijn vordering in te stellen; het moment van discoverability is subjectief te noemen omdat het wél geënt is op het vermogen van de crediteur zijn vordering in te stellen.
Latent Damage Act 1986, section 1, geïncorporeerd in de Limitation Act 1980 door invoeging van section 14B.
Het is misschien goed hier in herinnering te brengen dat het vertrekpunt van de Law Reform Committe was een stelsel met een korte objectieve termijn van drie of zes jaar. Dat regime was dus erg crediteursonvriendelijk; de verjaring 'buiten schuld' kon na verhoudingsgewijs zeer korte tijd intreden. Aan die situatie maakt de Latent Damage Act een einde — althans voor wat betreft een aantal typen vorderingen — zodat de oplossing van de Law Reform Committe vanuit Engels gezichtspunt wel degelijk een grote vooruitgang betekende.
Law Reform Committee (1984), p. 20.
Law Reform Committee (1984), p. 20.
Law Reform Committee (1984), p. 20.
Law Commission (1998), p. 286.
Law Commission (1998), p. 286.
Law Commission (2001), p. 67.
Law Commission (2001), p. 68.
Law Commission (2001), p. 67.
Law Commission (2001), p. 91.
Het probleem van verjaring voordat de crediteur zijn vordering kon instellen heeft in Engeland al geruime tijd de aandacht. Onder de Engelse verjaringswet, de Limitation Act 1980, verjaren vorderingen over het algemeen drie of zes jaar nadat de cause of action accrued (kort te vertalen met 'het opeisbaar worden van de vordering'). In 1983 werd uitspraak gedaan in een van de bekendste Engelse verjaringszaken:1 een vordering wegens scheurvorming in een schoorsteen werd verjaard geoordeeld terwijl de scheuren pas na ommekomst van de termijn door de crediteur ontdekt waren. De House of Lords overwoog dat de cause of action accrued toen de scheuren zichtbaar werden, niet toen de crediteur ze daadwerkelijk zag. Omdat de crediteur niet te verwijten viel dat hij de scheuren niet had gezien, en hij zijn vordering dus niet eerder had binnen instellen, werd deze beslissing kritisch ontvangen. Zij vormde mede de aanleiding tot het verzoek aan de Law Reform Committee voor onderzoek naar het probleem van Latent damage en verjaring.
Het rapport van de Law Reform Committee on Latent Damage vond navolging in de "Latant Damage Act 1986". Omdat de Law Reform Committee het onrechtvaardig vond de crediteur zijn recht te ontnemen voordat hij het kón instellen, werd in die Act naast het objectieve moment waarop de cause of action accrued het subjectieve moment van discoverability2 geplaatst. Maar vervolgens, en nu komt het, werd tevens een long-stop termijn toegevoegd die de vordering 15 jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis doet verjaren, onafhankelijk derhalve van het vermogen van de crediteur zijn vordering geldend te maken, met bovendien de nadrukkelijke ontzegging aan de rechter van zijn discretion to override.3
Vanuit het perspectief van het Nederlandse debat over de vraag of een vordering kan verjaren voordat de crediteur haar geldend kon maken, is deze oplossing tamelijk ironisch. Het springende punt lijkt aanvankelijk te worden opgelost, maar blijft uiteindelijk onaangeroerd; onder de Latant Damage Act kan immers nog steeds een vordering verjaren nog voordat de crediteur hem kón instellen, zelfs al vijf jaar eerder dan in ons huidige stelsel.4
Anders dan de Duitse wetgever geeft de Law Reform Committee er overigens blijk van zich zeer wel van bezwaren van deze implicatie bewust te zijn:
"there is (...) an important objection of legal principle to a long stop in cases of delayed damage because it might expire before damage even occurs and before the plaintiff has ever been in a position to claim. We believe that this is a substantial difficulty and we can see that there is much to be said for applying the long stop only in relation to the three year extended period of limitation (...) or providing that the long stop should only have effect once damage had occurred.5"
De Law Reform Committee "found this a particularly difficult choice and have discussed it at some length".6 Maar uiteindelijk dus:
"Our conclusion is to favour a long stop applicable (...) whether or not the defect had manifested itself in damage by the time that the long stop expires. We consider it important that the law should provide some degree of finality and we think that any concern lest that long stop should operate to deprive plaintiffs of worthwhile causes of action can be met by selecting a sufficiently lengthy period.7
De hang naar finality prevaleert, in de hoop dat met de keuze van een voldoende lange termijn het onrecht binnen de perken zal blijven. Tot zover de discussie uit de jaren tachtig.
Ook de Law Commission heeft zich 15 jaar later in zijn integrale herziening van het verjaringsrecht over het probleem van de long-stop gebogen. Wat opvalt is dat hij veel minder problematiseert dan de Law Reform Committe destijds deed, behalve waar het personal injury betreft. Hij beziet in zijn Consultation Paper uit 1998 het recht van een aantal andere common law jurisdictions, constateert dat daar een wideranging consensus bestaat over de noodzaak van een long-stop8en schrijft dan:
"In general, we agree with that consensus. We think that a long-stop does act as a für counterbalance to the "discoverability" starling point. However, we have had some concerns about whether a long-stop should be applied to personal injury actions. Plaintiffs who have suffered personal injury can be regarded as meriting special concern simply on the ground that personal injury is a more extreme type of harm than property damage or economic loss. We particularly have in mind those who suffer industrial diseases, such as asbestosis and other forms of pneumoconiosis, where the symptoms may not become apparent for decades after the negligent conduct. In cases of latent personal injury the merits of cutting into the "discoverability" test are particularly questionable."9
De Law Commission volstaat hier in motiverende zin met de opmerking dat de longstop een für counterbalance is tegenover het subjectieve discoverability starting point. Conform deze voorkeur beveelt hij in zijn Consulation Paper de introductie van een long-stop aan van tien jaar, — buiten gevallen van personal injury — welke aanbeveling blijkens zijn Report uit 2001 door maar liefst 85% van de consultees werd ondersteund.10 Zijn toelichting is nu uitgebreider:
"A key concern is the need to protect defendants from claims being brought at a date so long after the events to which the claim relates that defendants are no longer properly able to defend themselves. We noted in the Consultation Paper that where a claim is brought after many years there may be a risk of serious injustice to the defendant, as witnesses may no longer be available, and any documentary evidence may have been lost or destroyed. Moreover, defendants are entitled to some limit on their need to insure themselves against liability. The imposition of a long-stop also compensates for the loss of certainty which is inherent in the adoption of a limitation regime dependent on the date of knowledge of the relevant facts by the claimant."11
Aldus luidt zijn definitieve aanbeveling dat "a claim, other than in respect of a personal injury, should be subject to a long-stop limitation period of ten years".12 Een rechterlijke discretion to override die termijn wordt nadrukkelijk afgeraden.13