Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.1.3
3.3.1.3 Het Lombard-arrest
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497757:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook het in paragraaf 3.3.1.1 besproken Almos-arrest (HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21).
R.o. 11. Op de vraag of lidstaten verlaging van de maatstaf inderdaad geheel kunnen uitsluiten, kom ik in paragraaf 3.3.6 uitvoerig te spreken.
HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21 (Almos) (paragraaf 3.3.1.1).
HvJ 3 juli 1997, nr. C-330/95, V-N 1997/2988, 18 (Goldsmiths (Jewellers)) (paragraaf 3.3.6.1.1). Zie ook paragraaf 2.3.1.2.
Al kon het er wel uit worden afgeleid. Ten aanzien van de categorie niet-betaling overwoog het HvJ in r.o. 25 (zoals hiervoor geciteerd) immers dat de verkoper – zonder dat de overeenkomst is geannuleerd, verbroken of ontbonden – niet langer de ‘eigenaar’ van het goed mag zijn. Daaruit zou (a contrario) kunnen worden opgemaakt dat de verkoper in de gevallen van annulering, verbreking en ontbinding de verkoper juist wel (weer) eigenaar van het goed moet zijn.
Zie ook r.o. 29 van onderhavig arrest.
Lombard Ingatlan Lízing (hierna: ‘Lombard’) betreft een Hongaarse onderneming, die op grond van financial-leaseovereenkomsten vastgoed ter beschikking stelt aan derden. Lombard merkte deze overeenkomsten aan als de levering van een goed en bracht op het moment van de bezitsverschaffing van het vastgoed over het totale bedrag van de leasevergoedingen btw in rekening. Ruim één jaar na het sluiten van de leaseovereenkomsten besloot Lombard de leases te beëindigen vanwege niet-betaling van een deel van de verschuldigde bedragen. Daarop nam zij het vastgoed weer terug in bezit nam en reikte zij correctiefacturen uit, waarmee zij de maatstaf van heffing verlaagde. De eerder aangegeven btw vroeg Lombard vervolgens van de Hongaarse belastingdienst terug. De belastingdienst weigerde de teruggaaf, omdat Hongarije gebruik had gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn,1 op grond waarvan lidstaten verlaging van de maatstaf van heffing bij niet-betaling kunnen uitsluiten en de ontbinding wegens niet-betaling onder de categorie niet-betaling zou vallen.2 Lombard stelde zich op het standpunt dat het de belastingdienst op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn niet was toegestaan de teruggaaf te weigeren, aangezien het een ontbinding van de overeenkomst betrof en art. 90 lid 1 Btw-richtlijn rechtstreekse werking toekomt. De grond voor de ontbinding (de niet-betaling) zou hierbij niet relevant zijn. Het geschil belandt bij de rechter, die besluit de hulp in te schakelen van het HvJ. De nationale rechter wenst van het HvJ met name te vernemen of de situatie onder de reikwijdte van de ‘ontbinding’ ex art. 90 lid 1 Btw-richtlijn valt.
Onder verwijzing naar het hiervoor besproken Almos-arrest3 en het hierna te bespreken Goldsmiths (Jewellers)-arrest4 overweegt het HvJ dat (cursivering van mijn hand):
“31. De begrippen annulering, verbreking en ontbinding in artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn verwijzen daarentegen naar situaties waarin, hetzij na een annulering met terugwerkende kracht, hetzij na een verbreking, die slechts gevolgen voor de toekomst heeft, de verplichting van de schuldenaar om zijn schuld af te lossen volledig heeft opgehouden te bestaan of is vastgesteld op een definitief bepaald niveau, met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de schuldeiser.
32. In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in het hoofdgeding een partij bij een overeenkomst tot financiële leasing die ontbonden overeenkomst definitief heeft beëindigd. Bijgevolg heeft de leasinggever, die niet langer de betaling van de leasevergoeding door de leasingnemer kon eisen, de geleasede goederen weer in bezit genomen en heeft de leasingnemer niet de eigendom van die goederen verworven. (...).
33. Aangezien die situatie wordt gekenmerkt door de definitieve verlaging van de oorspronkelijk door een partij bij een overeenkomst verschuldigde tegenprestatie, kan zij niet worden aangemerkt als „niet-betaling” in de zin van artikel 90, lid 2, van de btw-richtlijn, maar vormt zij een annulering, een verbreking of een ontbinding in de zin van lid 1 van dat artikel.”
Hieruit kan in de eerste plaats worden opgemaakt dat het terugplaatsen in de oorspronkelijke toestand impliceert dat de geleverde prestatie weer terug moet komen bij de leverancier, hetgeen in het Almos-arrest enigszins onderbelicht bleef.5 In de tweede plaats volgt uit de hiervoor opgenomen overwegingen dat de categorie ‘annulering, verbreking en ontbinding’ zich kenmerkt door haar definitieve karakter. Dit definitieve karakter kan zowel betrekking hebben op het verleden als op de toekomst. Uit rechtsoverweging 31 maak ik op dat ruimte bestaat voor het aannemen van een ‘partiële ontbinding’. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen bij doorlopende prestaties, zoals verhuur: het verhuurde wordt door de verhuurder terug in bezit genomen en de huurder wordt het (toekomstig) huurgenot ontzegd. Voorts impliceert het definitieve karakter dat de leverancier zich niet in een positie mag bevinden, waarin hij nog betaling van de door hem in rekening gebrachte vergoeding kan eisen:
“40. Zoals blijkt uit de punten 29 tot en met 33 van het onderhavige arrest, heeft een ontbinding waarmee een partij bij een overeenkomst tot financiële leasing die overeenkomst definitief heeft beëindigd, echter de definitieve verlaging van de oorspronkelijke schuldvordering jegens de leasingnemer tot gevolg. Een dergelijke handeling kan niet als „niet-betaling” in de zin van artikel 90, lid 2, van de btw-richtlijn worden aangemerkt, maar vormt een annulering, een verbreking of een ontbinding in de zin van lid 1 van dat artikel.”
Zie hier het verschil met de categorie niet-betaling. Voor toepassing van deze categorie is het vereist dat de afnemer de overeengekomen prijs verschuldigd blijft en de verkoper zijn schuldvordering behoudt. Wanneer de schuldvordering echter door een ontbinding definitief wordt verlaagd, kan van een niet-betaling geen sprake meer zijn. Dit betekent overigens niet dat daarmee automatisch sprake is van annulering, verbreking en/of ontbinding. Daarvoor blijft immers vereist dat partijen worden terugplaatst in hun oorspronkelijke toestand.6 Gegeven de stelligheid van de door het HvJ gegeven overwegingen lijkt er voor de verwijzende rechter in casu echter weinig beoordelingsvrijheid meer te zijn.