Rb. Amsterdam, 14-02-2022, nr. 7971306 CV EXPL 19-17417
ECLI:NL:RBAMS:2022:750
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
14-02-2022
- Zaaknummer
7971306 CV EXPL 19-17417
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2022:750, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑02‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2020:6100, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑12‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2021:1157
ECLI:NL:RBAMS:2020:6235, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 25‑09‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JHV 2020/47 met annotatie van Gardenbroek, T.
S&E HW 2021/2, UDH:S&E HW/50114 met annotatie van Gerard Scholten
Uitspraak 14‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Woningcorporatie Rochdale moet twee Amsterdamse huurders 186,50 euro terugbetalen van de 200 euro die Rochdale in rekening bracht aan administratiekosten bij het afsluiten van de huurovereenkomst.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 7971306 CV EXPL 19-17417
vonnis van: 14 februari 2022
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
nader te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: eerst G.Z Zijlstra, thans mr. H.M. Meijerink
t e g e n
de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
nader te noemen: Rochdale
gemachtigde: mr. R.N.E. Visser en L. Hennink.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 4 december 2020 is (weer) een tussenvonnis gewezen, waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad.
Bij arrest van 16 juli 2021 heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord.
Vervolgens hebben beide partijen een akte genomen.
Mede gelet op het feit dat rechter die de mondelinge behandeling heeft gedaan niet in staat was om deze zaak verder te behandelen en te beslissen, heeft Rochdale verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2022. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens Rochdale nog aanvullende stukken in het geding gebracht. [eiser 1] is verschenen vergezeld door mr. H.M. Meijerink als gemachtigde en [eiser 2] is verschenen bij deze gemachtigde. Namens Rochdale is verschenen [naam 1] , vergezeld door mr. R.N.E. Visser als gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen, over en weer op elkaar gereageerd en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
In de huurovereenkomst tussen partijen is bepaald dat bij ondertekening daarvan de huurder een bedrag van € 200,00 aan Rochdale verschuldigd is wegens ‘Administratiekosten’. Tussen partijen is in geschil of Rochdale daarmee voor zichzelf een niet-redelijk voordeel heeft bedongen als bedoeld in artikel 7:264 BW. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit het geval, reden waarom zij terugbetaling vorderen van € 186,50 (€ 200,- minus de kosten voor een naambordje) en een verklaring voor recht dat het betreffende beding onredelijk is, met nevenvorderingen. Rochdale betwist dat het betreffende beding onredelijk is en vordert in reconventie verklaringen voor recht waarin dit wordt bevestigd. Rochdale benadrukt dat de onderhavige zaak model staat voor een groot aantal soortgelijke gevallen.
In het laatste tussenvonnis zijn de volgende prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.
A. In r.o. 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 Ymere/Nellestein (ECLI:NL:HR:2012:BV1767) heeft de HR overwogen: “Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.”1. Is er sprake van ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien door de verrichtingen waarvoor kosten in rekening worden gebracht uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder worden gediend?
2. Moeten onder kosten die uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder dienen mede worden begrepen kosten die geacht worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie?
3. Kan bij de beoordeling van vraag A.1 het geheel van tegenprestaties worden afgezet tegen een forfaitair in rekening gebracht bedrag aan administratiekosten of dient deze beoordeling per kostenpost plaats te vinden?
4. Moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder moeten worden gedragen (omdat er sprake is van een niet verwaarloosbare tegenprestatie als door de Hoge Raad bedoeld) en anderzijds de vraag of de hoogte van de aan de huurder in rekening gebrachte kosten redelijk is (en dus of alle door de verhuurder gemaakte kosten aan de huurder in rekening kunnen worden gebracht)?
In r.o. 3.6 heeft de HR overwogen: “Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art.11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.”
5. Geldt het in rov. 3.5 gegeven uitgangspunt voor zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde huurprijzen?
6. Betekent het in rov. 3.6 overwogene dat bij het beantwoorden van vraag A.1. een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval de verhuurder een toegelaten instelling is? Of moet deze overweging zo worden uitgelegd dat, eerst nadat is vastgesteld dat geen sprake is van ‘geen of een niet verwaarloosbare tegenprestatie’, dit aspect kan worden meegewogen bij de beoordeling van de redelijkheid van de hoogte van de kosten?
3. In zijn arrest van 16 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1157) heeft de Hoge Raad deze vragen beantwoord als volgt.
Vraag 1Indien de verhuurder tegenover het voordeel dat hij heeft bedongen, een tegenprestatie verricht die uitsluitend of voornamelijk zijn eigen belangen dient, staat tegenover dat voordeel geen of alleen een verwaarloosbare tegenprestatie. Als uitgangspunt volgt hieruit dat een niet redelijk voordeel in de zin van art. 7:264 BW aanwezig is, tenzij uit bijzondere omstandigheden anders volgt.
Vraag 2Onder tegenprestaties die uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder dienen, moeten mede worden begrepen prestaties die behoren bij de normale woningexploitatie.
Vraag 3De beoordeling of een niet redelijk voordeel bestaat, dient in beginsel plaats te vinden door iedere door de verhuurder geleverde tegenprestatie afzonderlijk te bezien in verhouding tot het voordeel dat de huurder daarvoor heeft verschaft. Indien tegenover het voordeel dat de huurder heeft verschaft, meer dan een tegenprestatie staat, zonder dat de kosten aan de verschillende tegenprestaties zijn toegerekend, kan een afzonderlijke beoordeling echter achterwege blijven als de tegenprestaties samen onmiskenbaar voor de huurder zodanige baten opleveren dat dit voordeel voor de verhuurder niet onredelijk is.
Vraag 4Het onderzoek met het oog op art. 7:264 BW bestaat uit twee stappen. Eerst moet de vraag worden beantwoord of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat het niet redelijk is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder worden gedragen. Indien de aard van de prestatie zich niet ertegen verzet dat de kosten daarvan aan de huurder in rekening worden gebracht, moet vervolgens de vraag worden beantwoord of de hoogte van het door de huurder verschafte voordeel niet redelijk is.
Vraag 5Het hiervoor in 2.4.1 weergegeven uitgangspunt geldt zowel voor geliberaliseerde als voor niet-geliberaliseerde huurprijzen.
Vraag 6Ook indien de verhuurder een toegelaten instelling is in de zin van art. 19 Woningwet moet worden onderzocht of de tegenprestatie naar haar aard geen bate aan de huurder oplevert die het voordeel kan rechtvaardigen en, indien de tegenprestatie naar haar aard wel een dergelijke bate aan de huurder oplevert, of de hoogte van het bedongen voordeel niet redelijk is in verhouding tot de bate die de prestatie voor de huurder meebrengt. De beantwoording van deze vragen dient te geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daartoe kan de omstandigheid behoren dat de verhuurder een toegelaten instelling is.
4. Van belang is nog dat de Hoge Raad daarbij heeft overwogen (rov. 2.4.2): “Indien de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst bij de huurder een bedrag aan kosten in rekening brengt en aldus een voordeel bedingt, moet tegenover dit voordeel een prestatie van de verhuurder staan die voor de huurder een bate oplevert. Deze bate moet kunnen rechtvaardigen dat de huurder de verhuurder het voordeel verschaft. Een dergelijke bate is niet aanwezig indien de verhuurder met de prestatie die tegenover het bedongen voordeel staat, uitsluitend of voornamelijk zijn eigen belangen dient. Evenmin is een dergelijke bate aanwezig indien de verhuurder een prestatie verricht waartoe hij op grond van de huurovereenkomst of de wet ook zonder het beding gehouden is, of die anderszins behoort bij een normale woningexploitatie. De huurder betaalt dan immers voor iets dat hij zonder het beding ook zou krijgen.”
Standpunt [eiser 1] en [eiser 2]
5. [eiser 1] en [eiser 2] verzetten zich niet tegen het in rekening brengen van een bedrag van € 13,50 voor een naamplaatje. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] volgt uit het arrest van de Hoge Raad dat Rochdale voor het meerdere een onredelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 7:264 BW. Niet is gespecificeerd welke prestaties voor € 200,- worden geleverd. De door Rochdale in de onderhavige procedure genoemde werkzaamheden en kosten hebben betrekking op het verhuur-gereed maken van de woning, althans zijn onlosmakelijk verbonden aan het verhuren en exploiteren van de woning en worden geacht te worden bestreden uit de kale huur. Deze kosten en werkzaamheden dienen niet, althans grotendeels niet het belang van de huurder, aldus – zeer kort samengevat – [eiser 1] en [eiser 2] .
Standpunt Rochdale
6. Rochdale benadrukt dat het in dit geval gaat om een woning met een zogenoemde middenhuur, die Rochdale op grond van met de overheid gemaakte afspraken verhuurt voor een huurprijs die weliswaar hoger is dan de liberalisatiegrens, maar (aanzienlijk) lager is dan de markthuurprijs. Uit artikel 47 van de Woningwet volgt wat moet worden verstaan onder Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Kort samengevat betreffen dit werkzaamheden in het kader van de sociale verhuur, waarvoor aantrekkelijke financiële regelingen en lage (rente)tarieven bestaan. De werkzaamheden die in het kader van de verhuur van middenhuur woningen als de onderhavige moeten worden verricht behoren tot de zogenoemde niet-DAEB-activiteiten, waarvoor de gewone marktvoorwaarden en -tarieven gelden. Rochdale heeft geen winstoogmerk en is niet uit op een niet redelijk voordeel, hetgeen reeds blijkt uit het feit dat zij in werkelijkheid meer kosten maakt ten behoeve van de huurders dan zij bij hen in rekening brengt. Verder blijkt dit uit het feit dat zij heeft gekozen om de betreffende kosten éénmalig bij het aangaan van de huurovereenkomst aan de huurders in rekening te brengen, in plaats van het structureel verhogen van de huurprijs waardoor de huurders per saldo meer zouden betalen, aldus Rochdale.
7. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de stelling dat het onredelijk is om bepaalde kosten bij de huurder in rekening te brengen rust volgens Rochdale op [eiser 1] en [eiser 2] . Zij hebben die stelling volgens Rochdale onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd.
8. Onderdeel van de werkzaamheden waarvoor de kosten in rekening worden gebracht vormt het vervangen van de sloten van de woning. In het algemeen plegen verhuurders niet bij elke mutatie de sloten van een woning te vervangen, maar worden de sleutels door de oude huurder ingeleverd en weer aan de nieuwe huurder verstrekt. Rochdale heeft echter als beleid om in alle gevallen – ook als er geen aanwijzingen zijn dat er elders nog sleutels in omloop zijn – uit veiligheidsoverwegingen de sloten te vervangen, tegelijk met het mutatie-onderhoud. Dit is in het belang van de huurders, omdat zij daardoor niet geconfronteerd kunnen worden met (mogelijke) derde(n) die via de oude huurder in het bezit van een sleutel zouden kunnen zijn gekomen en die daardoor het gehuurde zonder toestemming zouden kunnen betreden. Bovendien komt het vervangen en vernieuwen van het slot en de sleutels conform het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de huurder (artikel 1 Bijlage sub d van het Besluit). De kosten daarvan (€ 35,- tot € 40,-) kunnen daarom als administratiekosten bij de huurder in rekening worden gebracht, aldus Rochdale.
9. Verder voert Rochdale aan dat zij bij elke huurderswisseling mutatieonderhoud pleegt. Deels betreft dit het verhelpen van gebreken als wettelijke verplichting voor de verhuurder, waarvoor bij de huurder geen kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarnaast worden ook andere werkzaamheden verricht, waarbij de huurder is gebaat en die (veelal) op grond van het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de huurder komen, aldus Rochdale. In het onderhavige geval betrof dit:- het witten en bijwerken van binnenmuren en plafonds;- het herstel van binnenhoutwerk, het plamuren, schuren en opvullen van gaatjes, butsen en geringe krimpscheuren;- het vervangen van lichtschakelaar(s);- het ontluchten en bijvullen van de CV en deze installatie opstarten;- het repareren/vervangen van een kraan bij het fonteintje en van een ventiel in de keuken;- het gangbaar maken van de schuifpui;- het verwijderen van verfresten en dergelijke.
10. Vrije sector woningen als deze worden op een hoger niveau opgeleverd dan uitsluitend een goede staat van (voor rekening van Rochdale komend) onderhoud. Omdat het huurdersonderhoud betreft als bedoeld in het Besluit, kan niet worden gesteld dat de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat het niet redelijk is dat de kosten daarvan (deels) door de huurder worden gedragen. De totale kosten van het mutatieonderhoud kunnen liggen tussen de € 138,40 en € 2.906,40 per woning. Rochdale gaat er van uit dat in elk geval een vierde deel van de kosten niet ziet op het herstel van voor rekening van de verhuurder komende gebreken maar op werkzaamheden waarbij de huurder is gebaat. Dit brengt volgens Rochdale mee dat het redelijk is om in elk geval € 726,60 bij de huurder in rekening te brengen.
11. Daarnaast zijn er volgens Rochdale nog andere werkzaamheden en diensten die zij onverplicht verricht en waarbij de huurder baat heeft, zoals het bezichtigen van de woning (waarvoor zowel door de betreffende medewerker van Rochdale als backoffice kosten worden gemaakt) en het verstrekken van een informatiemap met informatie die voor de huurder van belang is (Rochdale verwijst in dit verband naar eerdere uitspraken waarin dit is vastgesteld). Ook is volgens Rochdale van belang dat er uit doelmatigheidsoverwegingen een forfaitair bedrag wordt gehanteerd.
12. Ten slotte voert Rochdale aan dat het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op artikel 7:264 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Behalve de hiervoor bij nr. 6 genoemde omstandigheden legt Rochdale daaraan ook het volgende ten grondslag.
a. Wanneer in plaats van het eenmalig in rekening brengen van € 200,- de huurprijs structureel zou zijn verhoogd, hadden [eiser 1] en [eiser 2] zich niet op artikel 7:264 BW kunnen beroepen, maar hadden zij het verschil maand in, maand uit moeten betalen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt wel dat dit argument géén rol speelt bij de vaststelling of er sprake is van een onredelijk voordeel als bedoeld in artikel 7:264 BW, maar dit argument is wel van belang bij de beoordeling van het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW.
b. Door thans een beroep te doen op artikel 7:264 BW ‘eten [eiser 1] en [eiser 2] van twee walletjes’. De € 200,- administratiekosten hebben zij zonder protest betaald. Aannemelijk is dat zij ook zouden hebben ingestemd met een huurprijs die€ 20,- hoger was, maar dan zouden ze per saldo méér hebben betaald.
c. De maatschappelijke belangen van Rochdale als toegelaten instelling, in het bijzonder het faciliteren van de mogelijkheid van middenhuur met een forfaitair, eenmalig bedrag van € 200,-, wegen zwaarder dan de persoonlijke belangen van [eiser 1] en [eiser 2] , die daarover niets hebben gesteld en die, gelet op de overgelegde cv’s, genoemd bedrag eenvoudig kunnen betalen.
d. Onder verwijzing naar het door haar overgelegde Praktijkhandboek Huur voert Rochdale aan dat algemeen is aanvaard dat voor aan de huurder in rekening te brengen administratiekosten een bedrag gelijk aan 3% van de jaarhuur redelijk is (de door [eiser 1] en [eiser 2] verschuldigde huurprijzen zijn respectievelijk€ 812,20 en € 1.053,26).
De kwalificatie van de tegenprestatie
13. Naar aanleiding van het voorgaande wordt in conventie en in reconventie overwogen als volgt.
13. Nu [eiser 1] en [eiser 2] een beroep doen op de nietigheid van het betreffende beding op grond van artikel 7:264 BW, rust op hen de stelplicht en bewijslast betreffende hun stelling dat sprake is van een onredelijk voordeel als in dat artikel bedoeld. Bepalend is de aard en omvang van de tegenover het bedrag van € 200,- staande tegenprestatie van Rochdale. Omdat deze niet in de overeenkomst is gespecificeerd en alle kennis over die tegenprestatie bij Rochdale berust, dient Rochdale in haar verweer echter niet alleen te specificeren welke tegenprestaties worden geleverd, maar dient zij ook aanknopingspunten te geven voor een beoordeling van de redelijkheid van die tegenprestatie. In de loop van de procedure en naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad heeft Rochdale daartoe een groot aantal feiten en omstandigheden aangevoerd en daarop betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze feiten en omstandigheden zijn tussen partijen niet of nauwelijks in geschil, zodat van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan, behoudens voor zover hierna het tegendeel zal blijken. Het enkele feit dat de verschillende prestaties in de huurovereenkomst niet zijn gespecificeerd betekent niet dat Rochdale achteraf geen specificatie meer zou kunnen geven.
13. Uit het arrest van de Hoge Raad, in het bijzonder het antwoord op vraag 4, volgt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een niet redelijk voordeel de volgende afzonderlijke stappen moeten worden genomen. Eerst moet worden beoordeeld of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat het niet redelijk is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder worden gedragen. Alleen wanneer de aard van de prestatie zich er niet tegen verzet dat de kosten daarvan bij de huurder in rekening worden gebracht, wordt toegekomen aan de vraag of de hoogte van het in rekening gebrachte bedrag redelijk is.
13. Uit rov. 2.4.2 van het arrest als hiervoor bij rov. 4 geciteerd en uit de antwoorden op de vragen 1 en 2 volgt dat het (bijzondere omstandigheden daargelaten) alleen dan redelijk is dat de verhuurder aan de huurder kosten in rekening brengt, wanneer daartegenover een prestatie van de verhuurder staat waarbij de huurder is gebaat.Ook volgt daaruit dat er geen sprake is van een dergelijk gebaat zijn van de huurder als door de Hoge Raad bedoeld, wanneer de prestatie van de verhuurder:
- -
uitsluitend of voornamelijk zijn eigen belangen dient;
- -
of een prestatie betreft waartoe de verhuurder op grond van de huurovereenkomst of de wet ook zonder het beding gehouden is;
- -
of die anderszins behoort bij een normale woningexploitatie.
17. Rochdale heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een tegenprestatie waarbij de huurder is gebaat als hiervoor is bedoeld, indien die prestatie (ook) het belang van de huurder dient. Die stelling wordt niet gevolgd. Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit, dat een bepaalde prestatie (ook) in het belang van de huurder moet worden geacht, op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van een prestatie waarbij de huurder is gebaat als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad. Er zullen immers meerdere prestaties zijn die de verhuurder krachtens wet- en regelgeving dient te verrichten, of die behoren bij een normale woningexploitatie, die tevens geacht kunnen worden het belang van de huurder te dienen. Behalve prestaties die zien op het in de juiste staat ter beschikking stellen van de woning kan daarbij ook worden geacht aan het uitvoeren van controles die een adequate woonruimteverdeling en een sociaal veilige woonomgeving moeten garanderen.
Toegelaten instelling
18. Volgens Rochdale dient bij de beantwoording van de vraag of de aard van de door haar geleverde prestatie zodanig is dat de huurder geacht kan worden daarbij te zijn gebaat als hiervoor bedoeld, rekening te worden gehouden met haar positie als toegelaten instelling, met de door haar te dienen belangen van de volkshuisvesting en met de maatschappelijke taken en verantwoordelijkheden die dit voor haar met zich brengen. Het arrest van de Hoge Raad biedt echter geen aanknopingspunten voor deze stelling, integendeel. Bij de beantwoording van vraag 6 oordeelt de Hoge Raad expliciet dat een toegelaten instelling geen uitzonderingspositie inneemt. Dit behoort wel tot de bij de beoordeling in aanmerking te nemen omstandigheden, aldus de Hoge Raad in rov. 2.6.2. Maar hij gaat direct daarna in op de wijze waarop de omstandigheid dat de verhuurder een toegelaten instelling is een rol kan spelen bij de beoordeling door te overwegen: “Zo kunnen de aan de verhuurder bij wet opgedragen taken van belang zijn voor de vraag tot welke prestaties de verhuurder gehouden is ook zonder dat daarover een afzonderlijk beding is overeengekomen.” Dit laatste brengt mee dat, in het geval op een verhuurder als toegelaten instelling verplichtingen rusten, die niet voor andere verhuurders gelden, de op grond van die verplichtingen uitgevoerde werkzaam-heden niet geacht kunnen worden ten bate van de huurder te zijn uitgevoerd, waardoor het niet redelijk zal zijn de kosten daarvan in rekening te brengen aan de huurder.
Verrichten van huurdersonderhoud
19. Bij een huurderswisseling voert Rochdale mutatieonderhoud uit om de woning in een bepaalde staat te brengen (van hoog niveau, aldus Rochdale). Volgens Rochdale dient er van uit te worden gegaan dat de huurder steeds zal zijn gebaat door in opdracht van de verhuurder uitgevoerde (mutatie)werkzaamheden, voor zover deze betrekking hebben op herstellingen die volgens het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de huurder komen. Rochdale wordt niet gevolgd in die stelling. Bij aanvang van de huur zal de verhuurder de woning in goede staat en vrij van gebreken dienen op te leveren. [eiser 1] en [eiser 2] hebben er terecht op gewezen dat Rochdale, in het geval bij oplevering door de oude huurder sprake is van onderhoudsgebreken die volgens het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de huurder komen, de oude huurder daarop dient aan te spreken. Indien Rochdale ervoor kiest dit niet te doen zal zij de woning nog steeds in goede staat dienen op te leveren aan de nieuwe huurder, en dus ook zonder gebreken waarop genoemd Besluit betrekking heeft. Indien Rochdale ervoor kiest dergelijk mutatieonderhoud zelf uit te voeren behoort dit dus tot de prestaties waartoe Rochdale op grond van de huurovereenkomst en de wet gehouden is.
Vervangen sloten
20. Met betrekking tot het vervangen van de sloten wordt overwogen als volgt. Allereerst hebben [eiser 1] en [eiser 2] tijdens de laatste mondelinge behandeling (en aan het einde daarvan) gesteld dat bij de aanvang van hun huurovereenkomst de sloten niet zijn vervangen. In de akte daaraan voorafgaande hebben zij alleen gesteld dat hen niet gebleken was dat in hun geval de sloten waren vervangen. Gelet op de uitgebreide toelichting van Rochdale over haar beleid op dit punt en over de praktische gang van zaken bij mutatieonderhoud, het late tijdstip waarop [eiser 1] en [eiser 2] hun stelling naar voren hebben gebracht en het ontbreken van een nadere onderbouwing daarvan, zal aan die stelling voorbij worden gegaan. Als uitgangspunt zal worden genomen dat Rochdale ook in het onderhavige geval conform het door haar gevoerde beleid de sloten van het gehuurde heeft vernieuwd, tegelijk met het door haar uitgevoerde mutatieonderhoud en vóórdat de woningen aan [eiser 1] en [eiser 2] ter beschikking werden gesteld.
20. Volgens Rochdale heeft zij onverplicht de sloten vervangen en zijn de huurders daardoor gebaat omdat daarmee een grotere veiligheid wordt verkregen. De huurders hebben daarmee de zekerheid dat derden, die eventueel nog over via de oude huurder verkregen sleutels beschikken, zonder toestemming de woning kunnen binnenkomen, aldus Rochdale. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat zij in alle gevallen mogen verwachten dat de woning een slot heeft dat functioneert waarvan alleen zij de sleutels hebben en dat voor het vervangen daarvan alleen kosten aan de huurder in rekening mogen worden gebracht indien dit in overleg met de huurder gebeurt.
20. Overwogen wordt als volgt. Uit het bepaalde in artikel 7:203 en 7:204 lid 2 BW volgt dat de verhuurder bij het ter beschikking stellen van de woning datgene moet doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het woongenot – en daarmee het exclusieve gebruiksrecht en de privacy – van de huurder gewaarborgd is. Dat Rochdale in het onderhavige geval onvoldoende zeker wist of er nog sleutels bij de oude huurder of derden in omloop waren is gesteld noch gebleken. Dat betekent dat onvoldoende is gebleken van een noodzaak tot het maken van kosten voor het vervangen van de sloten. In het geval de verhuurder onvoldoende zeker weet dat er geen sleutels bij de oude huurder of derden in omloop zijn, zal bovengenoemde verplichting met zich brengen dat Rochdale de sloten vervangt. Dat zal in dat geval behoren tot de prestaties die op grond van de wet en de overeenkomst verplicht zijn, dan wel gebruikelijk zijn bij een normale woningexploitatie. In elk geval is het niet redelijk om deze kosten bij de huurder in rekening te brengen. Een en ander betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat, voor zover de in rekening gebrachte administratiekosten betrekking hadden op het vervangen van de sloten, daar een prestatie tegenover stond waarbij de huurder is gebaat als in het arrest van de Hoge Raad bedoeld.
Informatiemap
23. Met betrekking tot de kosten voor de door Rochdale aan de huurder verstrekte informatiemap wordt overwogen als volgt. Het betreft een map die uit verschillende onderdelen bestaat. Naast de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden (met boetebedingen, waarvan het ter beschikking stellen onmiskenbaar uitsluitend in het belang van Rochdale is) betreft dit ook informatie over zaken zoals de verdeling van onderhoudsverplichtingen, een door Rochdale aangeboden ‘Onderhoudsabonnement’ voor het uitbesteden van huurdersonderhoud, de voorwaarden voor door de huurder aan te brengen veranderingen, de ‘woonregels’ waarin de huurder zich dient te houden ter vermijding van overlast, en de klachtenregeling van Rochdale. Het verstrekken van dergelijke informatie behoort grotendeels tot de werkzaamheden die een goede exploitatie van de woningen door Rochdale mogelijk maken. Voor zover er méér informatie wordt verstrekt, waar de huurder baat bij heeft, betreft dit maar een betrekkelijk gering deel van de informatiemap. Volgens Rochdale kunnen de kosten voor deze informatiemap worden begroot op € 10,00. De kosten voor het verstrekken van de informatie die niet dienstig is aan een goede exploitatie door Rochdale en waardoor de huurder is gebaat als bedoeld door de Hoge Raad zullen dermate gering zijn dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
Overig
24. De huurders hebben ermee ingestemd dat de kosten van het naamplaatje van€ 13,50 voor hun rekening komen, waardoor zij hun vordering hebben verminderd tot€ 186,50.
24. De overige door Rochdale genoemde werkzaamheden, zoals het uitvoeren van bezichtigingen en het inwinnen en controleren van informatie over de huurder, worden geacht te behoren tot een normale woningexploitatie en vormen geen tegenprestatie waardoor de huurder is gebaat als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad. Dat betekent dat er ook geen sprake is van een kostenpost waartegenover meerdere ongespecificeerde prestaties staan die samen onmiskenbaar voor de huurder zodanige baten opleveren dat die kostenpost niet onredelijk is.
24. Rochdale wordt niet gevolgd in haar stelling dat het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] op artikel 7:264 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Niet gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die daarvoor zijn vereist. De argumenten van Rochdale die betrekking hebben op haar positie als toegelaten instelling, haar bijzondere verplichtingen betreffende de woningmarkt, het feit dat de woning is aangeboden voor een huurprijs die (aanzienlijk) lager is dan de markthuur en dat huurders per saldo goedkoper uit zijn bij het eenmalig betalen van een bedrag aan kosten in plaats van een structureel (iets) hogere huurprijs zijn daarvoor onvoldoende. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in rov. 17 werd overwogen. Voorts wordt verwezen naar hetgeen in de Conclusie PG (ECLI:NL:PHR:2021:427, randnummer 2.35 tot en met 2.38) naar aanleiding van bedoelde argumenten van Rochdale wordt overwogen. De argumenten waarmee Rochdale heeft betoogd dat zij per saldo juist in het belang van de huurders heeft gehandeld zijn door de Hoge Raad gewogen en afgewezen. De door Rochdale genoemde feiten en omstandigheden zullen dan geen bijzondere omstandigheid opleveren die rechtvaardigen dat het arrest van de Hoge Raad niet wordt toegepast. Hoe begrijpelijk de overwegingen van Rochdale ook zijn voor de door haar gemaakte keuzen, gelet op de bestaande regelgeving en jurisprudentie is het resultaat daarvan dat de betreffende kosten – behalve die voor het naamplaatje – voor haar rekening blijven.
24. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] gericht op de verklaring voor recht, terugbetaling van € 186,50 per huurder en de wettelijke rente daarover met ingang van 17 juni 2019 toewijsbaar zijn.
24. Door ondanks aanmaningen niet te betalen heeft Rochdale [eiser 1] en [eiser 2] genoodzaakt tot het maken van buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen als hierna bepaald.
24. Dat betekent dat de vorderingen in conventie toewijsbaar zijn zoals hierna zal worden bepaald en dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
24. Rochdale wordt als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] in conventie belast, waarbij de proceskosten in reconventie tot op heden worden begroot op nihil omdat het partijdebat in reconventie samen is gevallen met dat in conventie.
BESLISSING
De kantonrechter:
In conventie:
verklaart voor recht dat de bedingen op grond waarvan [eiser 1] en [eiser 2] bij het afsluiten van de huurovereenkomsten met Rochdale administratiekosten verschuldigd waren een niet redelijk voordeel voor Rochdale opleveren voor zover die kosten per huurder een bedrag van € 13,50 te boven gaan;
veroordeelt Rochdale om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [eiser 1] :
- a.
€ 186,50 wegens hoofdsom;
- b.
€ 48,40 wegens buitengerechtelijke incassokosten;
- c.
de wettelijke rente over € 186,50 met ingang van 17 juni 2019 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt Rochdale om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [eiser 2] :
- a.
€ 186,50 wegens hoofdsom;
- b.
€ 48,40 wegens buitengerechtelijke incassokosten;
- c.
de wettelijke rente over € 186,50 met ingang van 17 juni 2019 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt Rochdale in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op:
-griffierecht: € 81,00
-kosten dagvaarding: € 99,01
-salaris gemachtigde: € 450,00
--------------
Totaal: € 630,01
inclusief eventueel verschuldigde BTW;
veroordeelt Rochdale in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt Rochdale in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op nihil;
Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 04‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 7:264 BW. Administratiekosten. Niet redelijk voordeel verhuurder. uitleg Nellenstein-arrest. Tussenvonnis: defintieve prejudiciële vragen, zie ook tussenvonnis 25-9-2020
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 7971306 CV EXPL 19-17417
vonnis van: 4 december 2020
fno.: 515
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2]
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
nader te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: eerst G.Z Zijlstra, thans mr. H.M. Meijerink,
t e g e n
de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
nader te noemen: Rochdale
gemachtigde: mr. R.N.E. Visser en L. Hennink.
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 25 september 2020 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte genomen.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
Bij voormeld tussenvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt en waaraan de kantonrechter zich houdt, zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de in dat vonnis geformuleerde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Namens [eiser 1] en [eiser 2] is herhaald dat zij geen behoefte hebben aan het stellen van vragen, nu het volgens hun vragen zijn waarop de antwoorden al zijn gegeven in het arrest van de Hoge Raad, zodat er geen rechtsvraag is als bedoeld in artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Er is slechts een discussie in de literatuur en dat is onvoldoende, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
Rochdale heeft aangevoerd dat zij instemt met het stellen van vragen, maar heeft betoogd dat zij graag een ruime opzet van de vragen ziet, in verband met het procesreglement van de Hoge Raad, nu daarin is bepaald dat de griffier van de rechtbank een afschrift van de beslissing toezendt aan de Hoge Raad, waardoor de Hoge Raad slechts beperkte informatie heeft. De griffier van de Hoge Raad kan op grond van artikel 5 van het reglement weliswaar vragen om de stukken van het geding te overleggen, maar hoeft dat niet. Vervolgens heeft Rochdale haar vragen als volgt geformuleerd.
1. Dienen de bedingen zoals bedoeld in artikel 7:264 lid 1 BW zonder meer beoordeeld te worden aan de hand van het zogenoemde tegenprestatiecriterium ("sprake van geen of een verwaarloosbare tegenprestatie")?
2. Bedingt de verhuurder voor zichzelf zonder meer een niet redelijk voordeel in de zin van art. 7:264 BW als deze verhuurder (een gedeelte van) de kosten die hij maakt bij huurdersmutaties aan het begin van de huurovereenkomst eenmalig in rekening brengt als hem ook de mogelijkheid ten dienste staat om die kosten te verdisconteren in de huurprijs (ex art. 7:246 BW)?
A.In r.o. 3.5 van het Nellestein-arrest heeft de HR overwogen:"Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van 'een niet redelijk voordeel' sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie sta at."
1. Is tegen de achtergrond van dit arrest sprake van geen of een ‘verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien door de verrichtingen waarvoor kosten in rekening worden gebracht uitsluitend het belang van de verhuurder worden gediend en zo ja, dienen de normale verhuurkosten (d.w.z. kosten die verband houden met huurdersmutaties) te worden aangemerkt als kosten die uitsluitend de belangen van de verhuurder dienen?
2. Is tegen de achtergrond van dit arrest sprake van ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien voornamelijk het belang van de verhuurder wordt gediend (maar de belangen van de huurder dus ook gedeeltelijk) en zo ja, dienen de normale verhuurkosten (d.w.z. kosten die verband houden met huurdersmutaties) te worden aangemerkt als kosten die voornamelijk, maar niet uitsluitend de belangen van de verhuurder dienen?
3. Dient de betreffende (aspirant) huurder bij de tegenprestatie zonder meer (al dan niet in overwegende mate) gebaat te zijn?
4. Kan bij de beoordeling van vraag A.1 en 2 het geheel van de tegenprestaties worden afgezet tegen een forfaitair in rekening gebracht bedrag aan kosten of dient deze beoordeling per kostenpost plaats te vinden?
B. In r.o. 3.6 heeft de Hoge Raad overwogen:
“Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art. 11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.
5. Geldt het in r.o. 3.5 gegeven uitgangspunt voor zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde huurprijzen?
6. Betekent het in r.o.3.6 overwogene dat bij het beantwoorden van de vraag A.2 en A.3 een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval de verhuurder een toegelaten instelling is? Of moet deze overweging zo worden uitgelegd dat, eerst nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van ‘geen of een niet verwaarloosbare tegenprestatie’ dit aspect kan worden meegenomen bij de beoordeling van de redelijkheid van de kosten?
7. Betekent het in r.o 3.6. overwogene dat bij het beantwoorden van vraag A.2 en A.3 als gezichtspunt in aanmerking kan worden genomen dat de toegelaten instelling bij geliberaliseerde huur de woning voor een lager bedrag verhuurt dan de markthuur en de toegelaten instelling bij niet geliberaliseerde huur de huur van de woning met een percentage ‘aftopt’ tot een bedrag onder de maximaal redelijke huur (zodat deze kosten niet in de huurprijs worden verdisconteerd)?
4. Hetgeen hiervoor als reactie van partijen is opgenomen leidt er niet toe dat de kantonrechter aanleiding ziet de in het tussenvonnis van 25 september 2020 voorgestelde vragen niet te stellen, dan wel deze te herformuleren. Daarbij wordt opgemerkt dat de Hoge Raad, door kennisname van dit vonnis, de standpunten van partijen en de door Rochdale gewenste formulering van de vragen meekrijgt, zodat de Hoge Raad dit bij het oordeel kan betrekken. Ook zal een kopie van het procesdossier aan de Hoge Raad worden toegezonden.
5. De kantonrechter zal derhalve de volgende vragen aan de Hoge Raad stellen. De griffier zal worden verzocht om het procesdossier in kopie aan de Hoge Raad te zenden, tegelijkertijd met dit vonnis alsmede het tussenvonnis van 25 september 2020.
6. Na beantwoording van de vragen zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
Stelt de navolgende vragen aan de Hoge Raad:
A. In r.o. 3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 Ymere/ Nellestein (ECLI:NL:HR:2012:BV1767) heeft de HR overwogen: “Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.” 1. Is er sprake van ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien door de verrichtingen waarvoor kosten in rekening worden gebracht uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder worden gediend?
2. Moeten onder kosten die uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder dienen mede worden begrepen kosten die geacht worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie?
3. Kan bij de beoordeling van vraag A.1 het geheel van tegenprestaties worden afgezet tegen een forfaitair in rekening gebracht bedrag aan administratiekosten of dient deze beoordeling per kostenpost plaats te vinden?
4. Moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder moeten worden gedragen (omdat er sprake is van een niet verwaarloosbare tegenprestatie als door de Hoge Raad bedoeld) en anderzijds de vraag of de hoogte van de aan de huurder in rekening gebrachte kosten redelijk is (en dus of alle door de verhuurder gemaakte kosten aan de huurder in rekening kunnen worden gebracht)?
In r.o. 3.6 heeft de HR overwogen: “Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art.11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.”
5. Geldt het in rov. 3.5 gegeven uitgangspunt voor zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde huurprijzen?
6. Betekent het in rov. 3.6 overwogene dat bij het beantwoorden van vraag A.1. een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval de verhuurder een toegelaten instelling is? Of moet deze overweging zo worden uitgelegd dat, eerst nadat is vastgesteld dat geen sprake is van ‘geen of een niet verwaarloosbare tegenprestatie’, dit aspect kan worden meegewogen bij de beoordeling van de redelijkheid van de hoogte van de kosten?
Houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 30 juli 2021 in afwachting van het antwoord op voormelde vragen.
Aldus gewezen door mr E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 25‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 7:264 BW. Administratiekosten. Niet redelijk voorstel verhuurder. Uitleg Nellenstein-arrest. Tussenvonnis. Voorstel prejudiciële vragen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 7971306 CV EXPL 19-17417
vonnis van: 25 september 2020
fno.: 515
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
nader te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: eerst G.Z Zijlstra, thans mr. H.M. Meijerink,
t e g e n
de stichting WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
nader te noemen: Rochdale
gemachtigde: mr. R.N.E. Visser en L. Hennink.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
dagvaarding van 7 augustus 2019, met producties;
conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
instructievonnis;
conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;
conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met één productie;
conclusie van dupliek in reconventie;
rolmededeling van 21 april 2020.
Naar aanleiding van de rolmededeling heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 7 juli 2020. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Rochdale nog aanvullende producties in het geding gebracht. [eiser 1] en [eiser 2] zijn verschenen, vergezeld door hun gemachtigde. Rochdale is verschenen bij [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] , vergezeld door de gemachtigden. Beide partijen hebben een nadere toelichting gegeven, mede aan de hand van overgelegde aantekeningen, over en weer op elkaar gereageerd en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum bepaald voor vonnis.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
In conventie en in reconventie
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
Rochdale is een toegelaten instelling als bedoeld in de Woningwet.
1.2.
[eiser 1] huurt met ingang van 22 augustus 2016 van Rochdale de woning aan de [adres 1] te [plaats] .
1.3.
[eiser 2] huurt met ingang van 28 november 2016 van Rochdale de woning aan de [adres 2] te [plaats] .
1.4.
Bij de ondertekeningen van de huurovereenkomst hebben [eiser 1] en [eiser 2] ieder € 200,00 aan Rochdale betaald in verband met administratiekosten.
1.5.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben Rochdale meerdere malen om terugbetaling van de betaalde administratiekosten verzocht.
1.6.
Rochdale is niet tot terugbetaling overgegaan.
Vordering en verweer
In conventie en in reconventie
2. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen beiden voor recht te verklaren dat de bedingen, dat [eiser 1] en [eiser 2] bij het afsluiten van de huurovereenkomsten met Rochdale administratiekosten verschuldigd waren onredelijk zijn. Voorts vorderen zij deze bedingen nietig te verklaren. Verder vorderen [eiser 1] en [eiser 2] na vermindering van eis, veroordeling van Rochdale tot betaling van € 186,50, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juni 2019 en vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten van € 48,00, alles met veroordeling van Rochdale in de kosten van dit geding. [eiser 1] en [eiser 2] stellen daartoe het volgende. Rochdale heeft met het bedingen van een bedrag van € 200,00 aan administratiekosten een onredelijk financieel voordeel behaald. Op grond van het bepaalde in artikel 7:264 van het Burgerlijk Wetboek is sprake van een nietig beding. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de administratiekosten onverschuldigd betaald, met uitzondering van € 13,50 waarvoor zij een naamplaatje hebben ontvangen.
3. Rochdale betwist de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] en voert daartoe het volgende aan. Artikel 7:264 BW beoogt uitsluitend om misstanden bij het aangaan van huurovereenkomsten van woonruimte te voorkomen. Van misstanden of een situatie die daarbij in de buurt komt is geen sprake, aldus Rochdale. Door het terugvorderen van€ 200,00 miskennen [eiser 1] en [eiser 2] dat geen sprake is van een niet redelijk voordeel in de zin van genoemd artikel. Rochdale werkt dit in vier onderdelen uit. Allereerst is het in rekening brengen van administratiekosten geen niet redelijk voordeel in de zin van artikel 7:264 BW. Verder kunnen de in rekening gebrachte administratiekosten door Rochdale niet worden aangemerkt als geen of een verwaarloosbare tegenprestatie. Voorts kan de tegenover de in rekening gebrachte administratiekosten door Rochdale verrichte tegenprestatie niet worden aangemerkt als een geen of verwaarloosbare tegenprestatie terwijl [eiser 1] en [eiser 2] daardoor gebaat zijn. Ten slotte meent Rochdale dat toepassing van artikel 7:264 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4. Ter toelichting betoogt Rochdale dat de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] allereerst uitsluitend dienen te worden getoetst aan het criterium uit de wet, namelijk of sprake is van een beding waarbij ten behoeve van een van de partijen een niet redelijk voordeel is overeengekomen. De toets van artikel 7:264 BW draagt alles in zich wat de wetgever heeft beoogd en wat door een procedurele omissie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:BV1767, Ymere/Nellenstein) in die uitspraak niet meer kon worden geadresseerd. Daarbij wijst Rochdale op het zogenaamde “baatprincipe”, de overweging van de Hoge Raad dat sprake is van een niet redelijk voordeel indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. Door eenvoudig artikel 7:264 BW toe te passen kan bij onderhavige kosten niet anders worden geconcludeerd dat geen sprake is van een niet redelijk voordeel. Er worden door Rochdale daadwerkelijk kosten gemaakt. Een huurdersmutatie brengt kosten met zich mee en er is volgens Rochdale geen sprake van een niet redelijk voordeel om bedoelde kosten bij de huurder die bij de mutatie betrokken is in rekening te brengen. Deze kosten zien op werkzaamheden in verband met de woningmutatie. Daarbij gaat het om de volgende werkzaamheden in verband met het proces van de huuropzegging:
- -
De medewerker Backoffice Woonservice maakt samen met de verhuurmakelaar en de huurder een afspraak voor de vooropname van de woning.
- -
De medewerker Backoffice Woonservice verwerkt de huuropzegging in het systeem en stelt het mutatiedossier samen. Het mutatiedossier wordt ter informatie naar de verhuurmakelaar gezonden.
- -
De verhuurmakelaar voert in aanwezigheid van de huurder een vooropname uit.
- -
De verhuurmakelaar verwerkt de vooropname en deelt het resultaat van het rapport mede aan de medewerker Backoffice Woonservice, de medewerker Huurzaken, EPA (Energie Prestatie Adviseur) de tekenaar van de woningplattegronden en de werkvoorbereider.
- -
De verhuurmakelaar voert vervolgens in aanwezigheid van de huurder de eindopname uit.
- -
De verhuurmakelaar verwerkt de eindopname en deelt het resultaat mede aan de werkvoorbereider en de medewerker Post & Archiefzaken, waarna het dossier wordt gearchiveerd.
De werkzaamheden in verband met het inplannen van het onderhoud:
- -
Indien uit de voorinspectie naar voren is gekomen dat sprake is van asbest in de woning wordt dit gemeld aan de verhuurmakelaar. De verhuurmakelaar schakelt een asbestdeskundige in. De deskundige voert een inspectie/sanering uit en koppelt het resultaat terug aan de aannemer. De asbestdeskundige communiceert uiteindelijk naar Rochdale de datum dat de woning wordt vrijgegeven.
- -
Er wordt een vakman van Rochdale/aannemer ingeschakeld voor de onderhoudswerkzaamheden. De werkzaamheden worden geobserveerd door de opzichter en de werkvoorbereider.
- -
De opzichter en werkvoorbereider voeren de eindopname uit. De verhuurmakelaar is verantwoordelijk voor (uitvoering van de) eindopname.
De werkzaamheden in verband met de nieuwe huurder:
- -
De medewerker Backoffice Woonservice controleert de verhuurgegevens en zorgt ervoor dat er een advertentie wordt opgemaakt en op Woningnet/Rooftrack wordt geplaatst. Een collega controleert de advertentie.
- -
De medewerker Backoffice Woonservice bekijkt de reacties en opgestuurde documenten, waarna er een selectie wordt gemaakt. Daarnaast wordt aan de kandidaat-huurders een uitnodiging voor de bezichtiging gestuurd.
- -
De verhuurmakelaar geeft de kandidaat-huurders een rondleiding in de woning.
- -
De medewerker Backoffice Woonservice verwerkt de reacties na de bezichtiging en doet een aanbod aan de ‘nummer 1’-huurder.
- -
De medewerker Backoffice Woonservice stelt de huurovereenkomst op en informeert de verhuurmakelaar. Een medewerker van de Afdeling Huurzaken controleert de huurovereenkomst. De huurder ondertekent de huurovereenkomst bij de Afdeling Backoffice bij Rochdale op kantoor.
- -
De verhuurmakelaar levert de woning aan de huurder op.
- -
De verhuurmakelaar wikkelt de verhuring administratief af en informeert de planner en de wijkbeheerder.
Voor al deze werkzaamheden zijn medewerkers nodig en de werkzaamheden kosten tijd en de medewerkers worden betaald.
Verder zijn er nog de volgende administratie- en overige kosten:
- -
Naamplaatje ten bedrage van € 13,50;
- -
Het vernieuwen van de sloten ten bedrage van € 35,00-40,00;
- -
Kosten voor Experian check ten bedrage van € 5,00 (verstrekken kredietinformatie);
- -
Kosten verhuurdersmap met informatie (welkomsbrief, informatie Rochdale, huurvoorwaarden) ten bedrage van € 10,00;
- -
Kosten voor Rooftrackadvertentie (vrije sector) of Woningnet (sociale sector). De kosten voor Rooftrack bedragen circa € 75,00 per woning.
Rochdale berekent de totale kosten naar het prijspeil van 2019 op € 617,19. Door de door haar toegelichte en gespecificeerde kosten bij [eiser 1] en [eiser 2] in rekening te brengen betalen [eiser 1] en [eiser 2] hun deel voor het verkrijgen van de woning, aldus Rochdale. Daarbij moet nog in ogenschouw worden genomen dat Rochdale als toegelaten instelling zich voor steeds meer kosten gesteld ziet. Door de kosten niet bij [eiser 1] en [eiser 2] in rekening te brengen, komen ze ten laste van alle (sociale) huurders, dan wel van het sociale doel van Rochdale.
5. Indien toch dient te worden uitgegaan van het criterium dat van een niet redelijk voordeel sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat, moet worden vastgesteld dat Rochdale reële tegenprestaties levert. Op grond van artikel 7:264 BW noch het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 hoeft de huurder door die tegenprestatie in overwegende mate te zijn gebaat. Verder betoogt Rochdale dat bij toepassing van het baatprincipe geen sprake is van een niet redelijk voordeel, omdat [eiser 1] en [eiser 2] wel degelijk in gelijke of in overwegende mate bij de tegenprestatie zijn gebaat. Ten slotte betoogt Rochdale dat toepassing van artikel 7:264 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Rochdale dient haar financiële middelen in te zetten voor de volkshuisvesting. De grootste inkomstenbron van Rochdale is afkomstig van uit huuropbrengsten. De mogelijkheid om die inkomstenbron te verhogen zijn beperkt, terwijl de kosten en de druk op de sociale sector toeneemt. Onder die omstandigheden moet artikel 7:264 BW buiten beschouwing te worden gelaten, aldus Rochdale.
6. In reconventie vordert Rochdale, met verwijzing naar hetgeen in conventie is aangevoerd de volgende verklaringen voor recht:
- -
primair te verklaren dat tussen Rochdale en [eiser 1] en [eiser 2] overeengekomen beding tot betaling van € 200,00 aan administratiekosten geen onredelijk voordeel is zoals genoemd in artikel 7:264 lid 1 BW, omdat het gerechtvaardigd is om dat deel van het totaal aan kosten aan de nieuwe huurders toe te rekenen in plaats van het ten laste van de gemene exploitatieopbrengst te brengen;
- -
subsidiair te verklaren dat tegenover de in rekening gebrachte administratiekosten van € 200,00 verrichte tegenprestaties zoals genoemd bij de feiten onder 2.14 tot en met 2.20 niet kunnen worden aangemerkt als een geen of verwaarloosbare tegenprestatie van Rochdale;
- -
meer subsidiair te verklaren dat tegenover de in rekening gebrachte administratiekosten van € 200,00 verrichte tegenprestaties zoals genoemd bij de feiten onder 2.14 tot en met 2.20 niet kunnen worden aangemerkt als een geen of verwaarloosbare tegenprestatie van Rochdale en [eiser 1] en [eiser 2] daardoor zijn gebaat;
- -
uiterst subsidiair te verklaren dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser 1] en [eiser 2] met betrekking tot de in rekening gebrachte € 200,00 de nietigheid van artikel 7:264 BW inroepen.
Rochdale acht het voorts opportuun om prejudiciële vragen te stellen. Er is aan de vereisten van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voldaan. Er is sprake van een rechtsvraag. Ten tweede heeft de beantwoording nog niet plaatsgevonden, nu in het Nellenstein-arrest niet is gegriefd tegen het baatprincipe en tot slot is sprake van een veelheid aan vorderingsrechten van (aspirant) huurders die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten.
7. Rochdale stelt voor om de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:
1. Dienen de bedingen zoals bedoeld in artikel 7:264 lid 1 BW bij een toegelaten instelling zonder meer beoordeeld te worden aan de hand van het zogenoemde tegenprestatiecriterium (“sprake van geen of een verwaarloosbare tegenprestatie”) of kunnen toegelaten instellingen voor de kosten die zij maken - en in deze procedure zijn gespecificeerd onder 2.14 tot en met 2.20 - bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst een forfaitair bedrag van EUR 200,= in rekening brengen, zonder dat sprake is van een niet redelijk voordeel;
2. Als de onder 1 gestelde vraag niet (direct) in bevestigende zin kan worden beantwoord, dient dan het geheel van tegenprestaties afgezet te worden tegen de in rekening gebrachte administratiekosten van EUR 200,= voor de beoordeling of sprake is van een niet verwaarloosbare tegenprestatie of dienen de individuele tegenprestaties steeds op zichzelf een niet verwaarloosbaar karakter te hebben?
3. Dient de desbetreffende (aspirant-)huurder bij de tegenprestaties zonder meer (al dan niet in overwegende mate) gebaat te zijn?
4. Indien de onder 3 gestelde vraag in bevestigende zin wordt beantwoord, dient dan geoordeeld te worden of de verhuurder bij het geheel van tegenprestaties (al dan niet in overwegende mate) is gebaat of dient de huurder bij elke individuele tegenprestatie op zichzelf (al dan niet in overwegende mate) baat te hebben?
8. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de vorderingen van Rochdale in reconventie bestreden met verwijzing naar hun vordering in conventie. Ten aanzien van de prejudiciële vragen hebben [eiser 1] en [eiser 2] naar voren gebracht dat daarvoor geen aanleiding is.
Beoordeling
Conventie en reconventie
9. Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie gelijktijdig beoordeeld.
10. In het onderhavige geval wordt de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1767) tot uitgangspunt genomen. In deze uitspraak is overwogen, voor zover hier van belang:
“3.3 (..) Het hof heeft, evenals de kantonrechter, tot uitgangspunt genomen dat in ieder geval sprake is van een niet redelijk voordeel ten behoeve van de verhuurder indien en voor zover de huurder niet is gebaat door de prestatie waarvoor de desbetreffende vergoeding in rekening wordt gebracht, waaronder het hof mede heeft begrepen het geval waarin de verhuurder zelf in overwegende mate is gebaat bij die prestatie. Het hof heeft geoordeeld dat dit nog niet betekent dat de kosten waardoor de huurder wel is gebaat zonder meer als redelijk dienen te gelden, maar dat al naar gelang de aard van dergelijke kosten en de omstandigheden van het geval deze ook als niet redelijk kunnen worden aangemerkt. Voorts heeft het hof als uitgangspunt genomen dat, gelet op de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art. 11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen binnen het terrein van de volkshuisvesting vervullen, voor deze verhuurders extra terughoudendheid is geboden bij de beoordeling van de redelijkheid van concrete kosten die aan de huurder in rekening worden gebracht (rov. 3.5). (…)
3.4
Onderdeel 2.1 van het middel (…) klaagt over het eerste uitgangspunt van het hof. Het onderdeel betoogt dat het hof met dit uitgangspunt miskent dat de vraag of een beding voor een der partijen een niet redelijk voordeel als bedoeld in art. 7:264 lid 1 BW inhoudt, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het hof gaat er volgens het onderdeel aan voorbij dat het ieder der partijen vrijstaat bij een overeenkomst een voordeel voor zichzelf te bedingen zonder dat daar een specifieke verplichting tegenover staat. Daarmee wordt tevens de strekking van art. 7:264 lid 1 BW miskend, aldus nog steeds onderdeel 2.1, die blijkens de wetsgeschiedenis hierin bestaat dat met deze bepaling wordt beoogd misstanden bij het aangaan van de overeenkomst tegen te gaan, waarmee op gespannen voet staat het uitgangspunt van het hof dat bedingen waardoor de huurder niet is gebaat en/of de verhuurder in overwegende mate is gebaat in ieder geval als onredelijk worden aangemerkt. (..)
Onderdeel 2.2 van het middel klaagt over het tweede uitgangspunt van het hof. Volgens het onderdeel miskent het hof dat ook bij de toepassing van dit gezichtspunt de overige omstandigheden van het geval bij de beoordeling van de redelijkheid van het beding in de zin van art. 7:264 BW niet buiten beschouwing kunnen blijven, althans is niet zonder nadere motivering in te zien waarom de enkele omstandigheid dat toegelaten instellingen krachtens art. 11 BBSH bepaalde werkzaamheden zijn opgedragen en een specifieke taak binnen het terrein van de volkshuisvesting vervullen, met zich zou brengen dat voor die werkzaamheden geen redelijke kosten aan de huurders kunnen worden doorberekend.
3.5
Onderdeel 2.1 stelt de vraag aan de orde wat de inhoud en de reikwijdte is van "een niet redelijk voordeel" als bedoeld in art. 7:264 lid 1 BW. Hoewel partijen bij het aangaan van een huurovereenkomst in beginsel vrij zijn om een voordeel voor zichzelf te bedingen zonder dat daar een prestatie tegenover staat, stelt art. 7:264 lid 1 BW grenzen aan die vrijheid om de partijen tegen misstanden bij het aangaan van de huurovereenkomst te beschermen (Kamerstukken II 1976-1977, 14 175, nr. 3, blz. 31). Daarbij moet met name gedacht worden aan de situatie waarin bij het aangaan van de huurovereenkomst de ene partij - veelal de aspirant-huurder - ten opzichte van de andere partij niet in een voldoende gelijkwaardige positie verkeert om te voorkomen dat een dergelijk door die wederpartij voorgesteld beding in de huurovereenkomst wordt opgenomen. Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van "een niet redelijk voordeel" sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat onderdeel 2.1 dat op een andere uitleg van art. 7:264 lid 1 berust, faalt.
3.6
Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art.11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.”
11. Er bestaat debat over de lezing en de uitleg van het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV1767). Mede gelet op het feit dat vanwege de appelgrens hoger beroep en cassatie uitgesloten is en de rechtsvraag in veel andere geschillen op vergelijkbare wijze aan de orde is, ziet de kantonrechter aanleiding om daarover - op verzoek van Rochdale -prejudiciële vragen als bedoeld in artikel 392 Rv te stellen.
12. De kantonrechter is daarom voornemens de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:
A. In r.o. 3.5 heeft de HR overwogen: “Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.” 1. Is er sprake van ‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’ van de verhuurder indien door de verrichtingen waarvoor kosten in rekening worden gebracht uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder worden gediend?
2. Moeten onder kosten die uitsluitend of voornamelijk de belangen van de verhuurder dienen mede worden begrepen kosten die geacht worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie?
3. Kan bij de beoordeling van vraag A.1 het geheel van tegenprestaties worden afgezet tegen een forfaitair in rekening gebracht bedrag aan administratiekosten of dient deze beoordeling per kostenpost plaats te vinden?
4. Moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vraag of de aard van de door de verhuurder geleverde prestatie zodanig is dat de kosten daarvan geheel of gedeeltelijk door de huurder moeten worden gedragen (omdat er sprake is van een niet verwaarloosbare tegenprestatie als door de Hoge Raad bedoeld) en anderzijds de vraag of de hoogte van de aan de huurder in rekening gebrachte kosten redelijk is (en dus of alle door de verhuurder gemaakte kosten aan de huurder in rekening kunnen worden gebracht)?
In r.o. 3.6 heeft de HR overwogen: “Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art.11 BBSH zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.”
5. Geldt het in rov. 3.5 gegeven uitgangspunt voor zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde huurprijzen?
6. Betekent het in rov. 3.6 overwogene dat bij het beantwoorden van vraag A.1. een uitzondering moet worden gemaakt voor het geval de verhuurder een toegelaten instelling is? Of moet deze overweging zo worden uitgelegd dat, eerst nadat is vastgesteld dat geen sprake is van ‘geen of een niet verwaarloosbare tegenprestatie’, dit aspect kan worden meegewogen bij de beoordeling van de redelijkheid van de hoogte van de kosten?
13. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de voorgestelde vragen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
BESLISSING
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 23 oktober 2020 te 10:00 uur voor het indienen door elk der partijen van een akte als hiervoor is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.