De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.2.2.4.b:2.2.2.4.b Specifiek vermeldingsvoorschrift: art. 2:135a lid 6 BW
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.2.2.4.b
2.2.2.4.b Specifiek vermeldingsvoorschrift: art. 2:135a lid 6 BW
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649644:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel dit niet in de wettekst staat, moet het bezoldigingsbeleid voorts alomvattend zijn. Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 058, nr. 3 (MvT), p. 4 en overweging 29 van de preambule van de Aandeelhoudersrichtlijn.
Lokin 2018, p. 484-485.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 2:135a lid 2 BW is bepaald dat het bezoldigingsbeleid van de NV waarvan aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in art. 1:1 Wft ten minste iedere vier jaar opnieuw aan de algemene vergadering wordt voorgelegd ter vaststelling. Op grond van art. 2:187 BW geldt dit ook voor de BV waarvan (certificaten van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in art. 1:1 Wft. In art. 2:135a lid 6 BW is bepaald dat het bezoldigingsbeleid duidelijk en begrijpelijk moet zijn,1 en dat het ten minste de daar genoemde onderwerpen dient te bevatten.2 Naar mijn mening vult art. 2:135a lid 6 BW voor het besluit tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid art. 2:114 lid 1 sub a BW nader in (net zoals art. 2:142 lid 3/252 lid 3 BW dat voor het besluit tot benoeming uit een voordracht doet). Dit wil evenwel niet zeggen dat als het bezoldigingsbeleid niet aan alle in art. 2:135a lid 6 BW genoemde vereisten voldoet, het vaststellingsbesluit per definitie vernietigbaar is. Zo moet art. 2:135a lid 6 BW niet worden begrepen. Dat ten minste de onderwerpen van art. 2:135a lid 6 BW in het bezoldigingsbeleid worden opgenomen, moet worden gezien als een instructie aan het orgaan dat op grond van art. 2:135 lid 4 BW de bezoldiging van bestuurders vaststelt. De wetgever heeft met art. 2:135a lid 6 BW willen zeggen dat het in art. 2:135 lid 4 BW bedoelde orgaan geen discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen welke regelingen wel en welke niet onder het bezoldigingsbegrip vallen.3 Vernietigbaarheid van het vaststellingsbesluit is bijvoorbeeld wel denkbaar als het besluit alvast geagendeerd wordt zonder dat er een (naar objectieve maatstaven duidelijk en begrijpelijk) bezoldigingsbeleid wordt voorgelegd. Omdat dan niet kan worden volgehouden dat het onderwerp van de besluitvorming is aangekondigd, is het vaststellingsbesluit vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1, sub a jo art. 2:114 lid 2 BW. Bovendien is een dergelijk vaststellingsbesluit in strijd met art. 2:8 BW, en dus ook vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1, sub b BW.