Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.14.4:7.14.4 Het Witboek
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.14.4
7.14.4 Het Witboek
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576398:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Witboek, COM/2008/165 def., § 2.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens schending van de communautaire mededingingsregels stelt de Commissie voor dat de verjaringstermijn in het geval van een voortgezette of herhaalde inbreuk niet begint te lopen vóór de dag waarop de inbreuk is beëindigd.1 De Commissie stelt daarnaast voor dat de verjaringstermijn niet begint te lopen vooraleer van het slachtoffer van de inbreuk redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze kennis heeft gekregen van de inbreuk en van de schade die hem daardoor is berokkend. Om te voorkomen dat verjaringstermijnen verstrijken zolang de publieke handhaving van de mededingingsregels door de mededingingsautoriteiten en de beroepsrechters nog niet is beëindigd, stelt de Commissie voor dat een nieuwe verjaringstermijn van ten minste twee jaar begint te lopen zodra de inbreukbeschikking waarop een eiser zich in een vervolgvordering beroept onherroepelijk is geworden.
Het voorstel heeft op het eerste gezicht weinig toegevoegde waarde ten opzichte van de huidige situatie naar Nederlands recht. De mogelijkheid dat de schadevergoedingsvordering van de benadeelde van een kartel of van een onderneming die misbruik maakt van een machtspositie (dat á dan niet langer dan twintig jaar voortduurt) verjaart omdat twintig jaar zijn verstreken sedert de verboden mededingingsbeperkende gedraging van de laedens, terwijl de benadeelde gedurende die twintig jaar niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, is onwaarschijnlijk. Artikel 3:321 lid 1 sub f $$BW biedt namelijk een grond voor verlenging van de verjaringstermijn (§ 7.14.2.3). Desondanks verbetert het voorstel van de Commissie wel de positie van de gelaedeerde die meer dan vijf jaar geleden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De gelaedeerde die een klacht bij een mededingingsautoriteit heeft ingediend, kan in het voorstel rustig wachten op de definitieve beslissing van de mededingingsautoriteit alvorens een civiele procedure ter verkrijging van schadevergoeding in te stellen (vergelijk de in § 7.14.2.2 besproken zaak CEF/VEG). De vordering die op grond van de korte, subjectieve verjaringstermijn van vijf jaar verjaard is, zal 'herleven' als door een mededingingsautoriteit een inbreukbeschikking wordt genomen. Daarnaast zal de verjaringstermijn volgens het voorstel pas gaan lopen nadat de schending van het mededingingsrecht is beëindigd, terwijl naar Nederlands recht - bij een voortdurende onrechtmatige daad zoals een schending van het mededingingsrecht - de verbintenis tot het vergoeden van schade deel voor deel zal ontstaan, zodat ook de verjaringstermijn deel voor deel zal gaan lopen.
De Commissie kiest na een inbreukbeschikking voor een nieuwe verjaringstermijn in plaats van stuiting. De vrees van de Commissie dat stuiting leidt tot moeilijk te berekenen resterende termijnen (het is niet altijd makkelijk om na te gaan wanneer mededingingsautoriteiten procedures instellen en wanneer ze worden beëindigd) en onvoldoende tijd om een schadevergoedingsvordering in te stellen (bij stuiting aan het eind van de verjaringstermijn), is naar Nederlands recht ongegrond. In de eerste plaats begint verjaring pas te lopen bij bekendheid met de schade en de veroorzaker. In de tweede plaats is het sturen van een briefje een afdoende stuitingshandeling die een nieuwe verjaringstermijn doet aanvangen (artikel 3:317 lid 1 $$BW, § 7.14.2.1).