Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.3.2:1.3.2 De hybride (platform)werknemer en zijn arbeidsrechtelijke bescherming
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.3.2
1.3.2 De hybride (platform)werknemer en zijn arbeidsrechtelijke bescherming
Documentgegevens:
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić
- JCDI
JCDI:ADS288458:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behalve de onduidelijke status van de platformwerker is ook de omvang van het werk een uitdaging voor het bieden van adequate sociale bescherming. Platformarbeid vindt grotendeels plaats in deeltijd. Dit betekent dat platformwerkers veel vaker dan andere werkenden, de arbeid via (een) platform(s) met andere werkzaamheden combineren. Dit kan zowel in loondienst zijn en als zelfstandige. Tegen deze achtergrond, gaat Nuna Zekić in hoofdstuk 4 in op (het gebrek aan) de arbeidsrechtelijke bescherming van platformwerkers met meerdere banen (zogenoemde multi-jobbers). Aan de hand van enkele thema’s illustreert Zekić risico’s en belemmeringen en legt ze ook de lacunes in de huidige Nederlandse wetgeving bloot. Multi-jobbers ervaren namelijk baanstapelrisico’s en worden daarbij meestal (nog) niet gesteund door het arbeidsrecht.
Zelfs als een platformwerker een arbeidsovereenkomst heeft met één of meerdere platforms, is nog niet duidelijk hoe omgegaan moet worden met bijvoorbeeld het recht op een wettelijk minimumloon, nevenwerkzaamheden of de arbeidstijdenwetgeving. Het feit dat Nederland nog steeds geen wettelijk minimumuurloon kent, maar enkel een minimummaandloon, valt voor kleine parttimers, sommige flexwerkers en platformwerkers regelmatig financieel negatief uit. Bovendien moeten platformwerkers vaak een deel van hun loon afdragen aan het werkplatform, hetgeen op gespannen voet staat met de Waadi. Nevenwerkzaamheden worden in Nederland via individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten geregeld, maar missen een wettelijke regeling. Voor platformwerkers kan dit funest zijn als ze naast hun beperkte platformwerkzaamheden geen gelijkaardige taken mogen ondernemen. Zekić wijst hierbij op het conflict met de vrijheid van ondernemerschap en de spanning met grondrechten. En ook wat de Arbeidstijdenwet betreft, lopen platformwerkers met meerdere banen tegen grenzen aan. Zo blijkt deze wet de arbeidstijd te maximeren per werknemer en niet per dienstverband en geldt de wet niet voor zelfstandigen. Het stapelen van banen past moeilijk in die wetgeving omdat de afzonderlijke werkgevers geen (goed) zicht (willen of kunnen) hebben op de totale werktijden van de platformwerker. De informatieplicht van de platformwerknemer om zijn werkgever(s) op de hoogte te brengen van zijn werkuren en arbeidspatroon, wordt in de praktijk niet zo nageleefd. Uit zowel Nederlandse als Europese rechtspraak kan worden afgeleid dat de kaders op veel punten nog niet helder zijn wat betreft platformwerk. Het laatste thema van hoofdstuk 4 is gewijd aan de werk-privébalans bij platformarbeid. Aan de hand van flexibiliteit, oproeparbeid en verlofregelingen, toont Zekić aan dat van platformwerkers veel flexibiliteit verwacht wordt, niet alleen in hun arbeidspatroon, maar ook in het accepteren van knelpunten in wet- en regelgeving.