Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/1.5
1.5 Politieke onwil als oorzaak voor het ontbreken van een enkelspoor van toezicht en handhaving
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575536:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wat de daarop volgende stap betreft — de overdracht van nationale (regelgevings)bevoegdheden aan een supranationale toezichthouder — blijkt van terughoudendheid en politieke onwil in nog sterkere mate sprake te zijn. Vgl. expliciet in deze zin de Europese Commissie in 2007, op p. 12 van haar Mededeling 'Evaluatie van de Lamfalussy-procedure, Bevorderen van de toezichtconvergentie'. Hierin constateert zij dat '[p]olitiek (...) het niet haalbaar [is] de comités van niveau 3 een aantal onafhankelijke regelgevingsbevoegdheden te verlenen.'
Zie art. 12, lid 2, Richtlijn Marktmisbruik, respectievelijk art. 24, lid 4, Prospectusrichtlijn.
Voorbeelden daarvan zijn het in november 2004 door CESR gepubliceerde zogenoemde 'Himalaya-rapport' (CESR 04-333f, te vinden op www.cesr-eu.org) en het in juni 2007 door CESR opgestelde rapport 'An evaluation of equivalence of supervisory powers in the EU under the Market Abuse Directive and the Prospectus Directive' ten behoeve van het Financial Services Committee (CESR 07-334, eveneens te vinden op www.cesr-eu.org). Vgl. verder de in voetnoot 98 genoemde Mededeling van de Europese Commissie van 20 november 2007. Over dit onderwerp: Ferran (2004a), p. 46-50, Grundmann-van de Krol (2007c), p. 162-165 en Wymeersch (2007).
Wat opvalt in de uiteenlopende, in de vorige voetnoot genoemde, rapporten is dat de invalshoek en voorstellen van CESR vooruitstrevender lijken te zijn dan die van de Europese Commissie. De Europese Commissie lijkt op haar beurt weer een positie in te nemen die vooruitstrevender is dan die van de lidstaten. Ook uit de bespreking van Moloney (2009), p. 472-476 kan dit worden afgeleid.
Vgl. de Mededeling 'Europees financieel toezicht'.
Vgl. de Raadconclusies, gedateerd 10 juli 2009, van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel op 18 en 19 juni 2009, onderdelen 19-22 en in het bijzonder onderdeel 20 (documentnummer 11225/2/09 REV 2).
Vgl. de voorstellen van de EC van 23 september 2009, COM (2009) 499 tot en met COM (2009) 503, te vinden op http://ec.europa.eu/intemalmarket/fmances/committees/index_en.htm#package. In verband hiermee heeft de Europese Commissie verder op 26 oktober 2009 een 'omnibus'-voorstel gepubliceerd waarmee in de bestaande Europese Richtlijnen en Verordeningen op het terrein van de financiële markten de verwijzingen naar CESR (resp. CEBS en CEIOPS) worden vervangen door verwijzingen naar ESMA (resp. EBA en EIOPA), vgl. COM (2009) 576 final.
Vgl. de voorgestelde artikelen 6 e.v. van het Voorstel voor een Verordening van de Europese Raad en het Parlement ter instelling van een Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (COM (2009) 503 def).
Onderdeel 20 van de Raadconclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel op 18 en 19 juni 2009.
Zie bijvb. de opmerkingen van verschillende politieke partijen in het debat over het verslag van de Europese Top (Handelingen Tweede Kamer 98, 23 juni 2009, p. 7742 e.v.) en bij het algemeen overleg over het verslag van de Eurogroep Ecofin Raad van 8 en 9 juni 2009 (Kamerstukken II, 2008/2009, 21 501-07, nr. 667).
Zo werd in januari 2009 door de Nederlandse regering reeds het standpunt ingenomen dat versterking van het Europees toezicht de inzet vormt, maar vorming van één Europese toezichthouder nog geen reëel uitgangspunt is (vgl. Kamerstukken II, 2008/2009, 31 371, nr. 128, p. 3-4 en p. 8 van Bijlage 1 bij dat stuk, p. 8). Ook uit het rapport The High Level Group on Financial Supervision in the EU (het De Larosière rapport) van 25 februari 2009 kan worden afgeleid dat de vorming van één Europese toezichthouder als een brug te ver gezien. Over dit rapport en het — naar zijn mening terecht — ontbreken van de aanbeveling om tot één Europese toezichthouder te komen: De Serière (2009), in het bijzonder p. 251-252.
Zie ook Theissen/Houmann (2009), met de veelzeggende titel 'Funding is key.' Ook uit de geannoteerde agenda voor de Ecofin Raad van 1 en 2 december 2009, blijkt dat verschillende lidstaten de voorgestelde bevoegdheden van de Europese autoriteiten wil inperken. Vgl. Kamerstukken II, 2009/2010, 21 501-07, nr. 682, p. 3-4 waar o.m. wordt opgemerkt dat '[e]en van de grootste discussiepunten bij de onderhandelingen is dat de ESAs volgens de huidige voorstellen bij het optreden bij geschillen tussen nationale toezichthouders en het afwijken door lidstaten van EU wetgeving in het uiterste geval, en wanneer een nationale toezichthouder geen gehoor geeft, besluiten mogen nemen die rechtstreeks van toepassing zijn op individuele financiële instellingen. Nederland steunt dit, omdat het de ESAs tanden geeft en het in de praktijk als een effectieve stok achter de deur kan werken. Voor veel lidstaten gaat dit voorstel echter te ver. De Ecofin Raad besloot al eerder dat de besluiten van de ESAs de budgettaire verantwoordelijkheid van de lidstaten niet mogen aantasten.' Uit het verslag van deze vergadering komt naar voren een compromis is bereikt over de wijze waarop lidstaten, via de Ecofin Raad, beslissingen van een ESA ongedaan kunnen maken indien een lidstaat van mening is dat een ESA beslissing mogelijk budgettaire consequenties heeft (vgl. Kamerstukken II, 2009/2010, 21 501-07, nr. 687, p. 2-3)
Een nuancering is hier op zijn plaats. Indien sprake is van onvoldoende naleving van de publicatieverplichtingen door een groot aantal beursvennootschappen of indien (de perceptie bestaat dat) onvoldoende toezicht plaatsvindt op de naleving van die verplichtingen binnen een (lid)staat, kan wel een 'systeemrisico' ontstaan. De adequate werking van de effectenmarkt kan worden aangetast door een gebrek aan vertrouwen van investeerders in de naleving van de publicatieverplichtingen door alle beursvennootschappen. Ik kom hierop terug in § 2 van hoofdstuk 10.
Zie de opmerking op p. 29 van de nota 'Toekomst financiële sector'.
In vergelijkbare zin met betrekking tot de uniforme interpretatie van verslaggevingvoorschriften, als ik hem goed begrijp, Mijhad (2008), p. 47-49.
Voor het achterblijven van de Europese harmonisering van toezicht en handhaving van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen — met name wat de toepassing betreft van de door de Europese Commissie "goedgekeurde" IFRS — bestaat een aantal verklaringen. Naast cultureel bepaalde en historische gegroeide verschillen in systemen van toezicht en handhaving tussen de lidstaten, lijkt de voornaamste verklaring voor dit achterblijven van politieke aard te zijn. Lidstaten (b)lijken, ook in de recentere Europese vennootschapsrechtelijke en effectenrechtelijke regelgeving, terughoudend te zijn in het volledig willen harmoniseren van bevoegdheden van toezichthouders.1
Ter illustratie hiervan wijs ik op de, in beginsel op volledige harmonisatie gebaseerde, Richtlijn Marktmisbruik en Prospectusrichtlijn. Voor beide richtlijnen geldt dat waar het uitgangspunt van de daarin opgenomen materiële voorschriften volledige harmonisatie is, tegelijkertijd ter zake van de formele bevoegdheden van de bevoegde autoriteit is bepaald dat deze "ten minste" over de genoemde bevoegdheden dient te beschikken.2 De precieze omvang en vormgeving van de bevoegdheden van de toezichthouders in de lidstaten kan hierdoor van lidstaat tot lidstaat uiteenlopen, hetgeen inmiddels in verschillende Europese rapporten ook als probleempunt is gesignaleerd.3 Of op deze terreinen op korte termijn veel vooruitgang zal worden geboekt, is hoogst onzeker.4 Enerzijds lijkt, in de nasleep van de financiële crisis van 2008, de politieke wil aanwezig om tot verdergaande harmonisering van Europees toezicht te komen. Zo heeft de Europese Commissie op het terrein van het prudentieel toezicht eind mei 2009 voorgesteld te komen tot een "European Systemic Risk Board (ESRB)" en een "European System of Financial Super-vision (ESFS)".5 Het voorstel van de Europese Commissie is door de Raad van de Europese Unie van 18 en 19 juni 2009 omarmd. Dit blijkt uit de aanbeveling van Europese Raad "dat een Europees systeem van financiële toezichthouders, bestaande uit drie nieuwe Europese toezichthoudende autoriteiten, wordt opgericht ter verbetering van de kwaliteit en de samenhang van het nationale toezicht, om de supervisie op grensoverschrijdende groepen te verbeteren door de oprichting van colleges van toezicht en de opstelling van één enkel Europees "rulebook" dat toepasselijk is voor alle financiële instellingen van de interne markt."6 In het verlengde daarvan heeft de Europese Commissie op 23 september 2009 haar voorstellen gepubliceerd, waarmee zowel oprichting van de ESRB en ESFS plaatsvindt, als oprichting van een drietal Europese Autoriteiten (de "European Banking Authority" (EBA), de "European Insurance and Occupational Pensions Authority" (EIOPA) en de "European Securities and Markets Authority" (ESMA)).7 De in het voorstel opgenomen taken van ESMA bestaan onder meer uit "ontwikkelingen van technische standaarden", "bijdragen aan een uniforme toepassing van gemeenschapsrecht", "het spelen van een coordinerende rol in noodsituaties" en het "beslechten van verschillen van inzicht tussen verschillende nationale toezichthouders."8 Hoe dit in de praktijk uit zal werken en welke taken in de definitief aan te nemen Verordening zullen worden opgenomen, is nog niet duidelijk.
Wel duidelijk is dat in het bijzonder voor financiële instellingen — in de voorstellen van de Europese Commissie wordt doorgaans gesproken over financiële instellingen en de financiële sector, niet over (Europese) beursvennootschappen in het algemeen — op korte termijn een verdergaande harmonisering van toezicht lijkt plaats te vinden. Toch is het te vroeg om daaruit de conclusie te trekken dat — eveneens — op korte termijn Europese harmonisering van het toezicht op de publicatieverplichtingen van beursvennootschappen zal plaatsvinden. Ten eerste moet — ook — in de vormgeving van het prudentieel toezicht op financiële instellingen nog een aantal discussiepunten worden beslecht. Een belangrijk, en politiek zeer gevoelig, punt is de financiering van een dergelijke Europese toezichthouder. Een in het verlengde daarvan liggend gevoelig punt is toekenning van de bevoegdheid aan een Europese toezichthouder om lidstaten te kunnen verplichten financiële bijstand te verlenen aan nationale financiële instellingen. De gevoeligheid van deze materie blijkt reeds uit de conclusie van de Europese Raad dat "beslissingen van de Europese toezichthoudende autoriteiten op generlei wijze afbreuk mogen doen aan de budgettaire verantwoordelijkheid van de lidstaten."9 Ook in de Nederlandse politiek lijken op dit punt aarzelingen te bestaan.10 Waar in een eerder stadium van de discussie de overdracht van bevoegdheden aan een Europese toezichthouder politiek onhaalbaar leek11, lijkt de discussie nu zich toe te spitsen op de financiële gevolgen die overdracht van bevoegdheden aan een Europese toezichthouder voor lidstaten kan meebrengen.12
Zelfs indien al op korte termijn een verdergaande harmonisering van het Europese prudentiële toezicht op financiële instellingen plaats zou vinden, is daarmee bovendien nog niet gezegd dat verdere harmonisering van (bijvoorbeeld) het toezicht op de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen zal plaatsvinden. Een belangrijke reden om tot verdergaande harmonisering van het (prudentiële) toezicht op financiële instellingen te komen, is het bestaan van macro-prudentiële systeemrisico's en stabiliteitsrisico's voor individuele financiële instellingen. De financiële crisis van de afgelopen jaren heeft duidelijk gemaakt dat een sterke verwevenheid bestaat tussen de wereldwijd opererende financiële instellingen. Het faillissement van één financiële instelling, al dan niet veroorzaakt door tekortschietend toezicht, heeft een grote invloed op andere instellingen. Groter dan wellicht voor 2007 werd gedacht. Voor beursvennootschappen die geen financiële instelling zijn gelden deze risico's, indien sprake zou zijn van een eventueel tekortschietende naleving van de publicatieverplichtingen, in veel mindere mate.13 Hierdoor zullen aanvullende, of ten minste andere, argumenten een rol (moeten) spelen om de politieke weerstanden voor harmonisering van het toezicht te (kunnen) overbruggen. Dat de Nederlandse regering, in reactie op de voorstellen voor harmonisering van het Europees toezicht in de financiële sector, heeft opgemerkt dat "[o]ok voor het toezicht op de informatievoorziening in het prospectus en het toezicht op de financiële verslaggeving (...) een verdere Europese harmonisering gewenst [is]"14, doet daaraan niet af. Gezien de ervaringen in het verleden, dient men naar mijn mening over de snelheid van die harmonisering niet te hooggespannen verwachtingen te koesteren.15