De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.1:3.6.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.1
3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949437:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2017, 85.
Stb. 2012, 534.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet dat, met de Wet beroep leraar, in de Wpo, Wvo 2020, Web en Wec een bepaling is opgenomen waarin het beroep van leraar wordt omschreven.1 De Whw bevat een dergelijke bepaling niet. Vermoedelijk heeft de wetgever hier mede voor gekozen omdat het beroep van leraar in het hoger onderwijs anders is geregeld dan in de andere onderwijssectoren. In het hoger onderwijs gelden bijvoorbeeld geen bekwaamheidseisen voor de leraar. In beginsel kan eenieder in het hoger onderwijs dan ook leraar worden, ongeacht of hij hiervoor een bepaalde opleiding heeft gevolgd. De wetgever schrijft dat met de Wet beroep leraar geen bepaling over het beroep van leraar in de Whw opgenomen, omdat met de instellingen afspraken zijn gemaakt over de versterking van de kwaliteit van het personeel.2 Hier doelt de wetgever op de prestatieafspraken, waarin was opgenomen dat instellingen ernaar dienden te streven dat iedere leraar zou beschikken over een basiskwalificatie onderwijs (BKO) of seniorkwalificatie onderwijs (SKO).3 De prestatieafspraken liepen in 2016 af.4 In de opvolger van de prestatieafspraken, de zogenaamde kwaliteitsafspraken, is docentkwaliteit, waaronder de professionalisering van docenten, wederom opgenomen als thema.
Naast de afwijkende bepalingen over de leraar in het hoger onderwijs, wijkt de leraar in het hoger onderwijs af van de leraar in de andere onderwijssectoren omdat hij aanspraak kan maken op academische vrijheid. Academische vrijheid geeft de leraar in het hoger onderwijs een grote mate van autonomie om zelf te bepalen hoe hij zijn onderwijs inricht en op welke wijze hij studenten tentamineert. In deze paragraaf wordt eerst uiteengezet hoe ver de academische vrijheid reikt. Dit wordt bezien vanuit de literatuur, de verdragen en de Whw. Vervolgens wordt beschreven hoe de academische vrijheid zich verhoudt tot artikel 23 van de Grondwet. Tot slot wordt ingegaan op de autonomie van de leraar in het hoger onderwijs. Daarbij wordt in het bijzonder gekeken naar de autonomie van de leraar bij het beoordelen van studenten.