Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.6.2.1:7.6.2.1 Automotiz
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.6.2.1
7.6.2.1 Automotiz
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406892:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Automotiz Del Golfo De California S. A. De C. V. v. Resnick, 47 Cal. 2d 792 P.2d 1, 63 A.L.R. 2d 1042 (1957).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitspraak van het California Supreme Court inzake Automotiz wordt aangemerkt als leidinggevend voor de toepassing van het doorbraak-leerstuk door de Californische rechters.1 Daarin is overwogen dat voor doorbraak dient te worden voldaan aan een tweevoudige test; er dient sprake te zijn van (i) een zodanige mate van verwevenheid tussen de aandeelhouder en de vennootschap dat laatstgenoemde niet als zelfstandige entiteit kan gelden en (ii) van een ‘unjust result’ van deze situatie. In de onderhavige zaak gaf het Supreme Court aan dat bij de beantwoording van de vraag of aandeelhouders aansprakelijk dienen te worden gehouden voor de schulden van de vennootschap, de enige relevante factor is “whether there was an attempt to provide adequate capitalization for the corporation.” Vervolgens overwoog het Supreme Court dat de 5000 dollar die de aandeelhouders aan kapitaal hadden gestort onvoldoende was in het licht van de omvang van de onderneming. In deze zaak waren aan de (beoogde) aandeelhouders door de vennootschap nimmer aandelen uitgegeven conform de daarvoor geldende voorschriften. Hierdoor was aan de eerste doorbraak-test voldaan, nu er sprake zou zijn van een voldoende “unity of interest and ownership” tussen de aandeelhouders en de vennootschap. Door de te kleine kapitaaluitrusting was volgens het Court ook aan het tweede deel van de doorbraaktest voldaan.
Justice Carter nam in zijn dissenting opinion uitdrukkelijk afstand van de redenering van de meerderheid. Hij stelde dat de penibele financiële toestand van de vennootschap geen juiste grondslag vormde voor doorbraak:
“[E]very corporation which fails because it is unable to pay its obligations is underfinanced […] certainly that should not be a test of whether the entity should be disregarded. […] In a rapidly changing economy what might seem to be adequate financing today would be inadequate tomorrow, and it should be obvious that risky business ventures could not be undertaken by use of the corporate device without subjecting the participants to personal liability.” Carter concludeerde: “If the corporate entity may be disregarded in a case such as this it will not be safe for anyone to use the corporate device for the promotion of a business enterprise even though he acts in the utmost good faith and pursues a course of unquestionable fair dealing.”
Justice Carter lijkt zich in zijn stevig geformuleerde dissenting opinon enigszins af te zetten tegen een stelling die de meerderheid nimmer heeft ingenomen. Het Supreme Court overwoog niet dat het gegeven dat een vennootschap op een zeker willekeurig moment in staat van onderkapitalisatie raakte, voldoende was voor doorbraak. De overweging van de meerderheid richtte zich op de initiële kapitalisatie van de vennootschap: het moment waarop de aandeelhouders op hun aandelen stortten. Deze storting van risicodragend kapitaal stond niet in verhouding tot de voorgenomen activiteiten. Niettemin wekt de uitspraak de indruk dat in ieder geval onderkapitalisatie bij oprichting op zichzelf voldoende voor doorbraak zou kunnen zijn.