Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.2
18.2 Vrijheid van richting
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454036:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Noorlander 2005, p. 55.
Zijlstra 1989, p. 10.
Advies Raad van State d.d. 11 april 1916, no. 44, Archief Kabinet van de Koningin, exhibitum 15 april 1916, no. 67. Geciteerd door Zijlstra 1989, p. 15.
Handelingen II 1916/17, 29e vergadering, p. 620.
Zijlstra 1989, p. 17.
Kan, dl. 3, p. 8. Geciteerd door Zijlstra 1989, p. 15.
Zie o.a. Noorlander 2005, p. 58; Huisman 2002, p. 50; Vermeulen 1999, p. 59.
Onderwijsraad 2012, p. 7.
Kamerstukken II 1918/19, 428, nr. 3, p. 39. Zie ook Noorlander 2005, p. 60.
Noorlander 2005, p. 60.
Onderwijsraad 2012, p. 50.
Zie ook Mentink, Vermeulen & Zoontjens 2017, hoofdstuk 6.
Zie ook Exalto 2017. Hij stelt dat vanaf 1920 met de nieuwe wet op het lager onderwijs sprake is van een pluraal onderwijsbestel dat georganiseerd is langs institutionele scheidslijnen, p. 8. Hij stelt ook: ‘Het onderwijssysteem zoals dat in de afgelopen eeuw vorm heeft gekregen, is gebaseerd op het bestaan van een aantal monoculturen die binnen het plurale bestel vreedzaam naast elkaar samenleven. Verschil wordt in dit systeem niet ontkend, het wordt evenmin verheerlijkt, verschil is geïnstitutionaliseerd. Met het wegvallen van vitale monoculturen – met name als gevolg van secularisering en ontzuiling, deels ook als uitkomst van geslaagde emancipatieprocessen – verdwijnt de basis onder het geïnstitutionaliseerde verschil’, p. 19.
Hoewel de vrijheid van godsdienst van bijzondere scholen, als collectieve vrijheid, niet als zodanig in artikel 23 Grondwet wordt genoemd, is zij wel impliciet opgenomen in artikel 23 Grondwet. Zo wordt in de leden 5, 6 en 7 gesproken over de vrijheid van het ‘bijzonder’ onderwijs en over de vrijheid van ‘richting’. Deze paragraaf concentreert zich op de definitie van de term ‘richting’ door de (grond)wetgever. De staatscommissie (pacificatiecommissie) die in 1913 aan de wieg stond van het huidige artikel 23 Grondwet, vatte de term richting in beginsel op als ‘godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging’. De godsdienstige of levensbeschouwelijke oriëntatie bracht een ‘opvoedkundige zelfstandigheid’ met zich die voortvloeit uit de wens van ouders dat de school van hun kinderen uitgaat van vergelijkbare godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen als die van henzelf.1 Volgens de pacificatiecommissie was de bijzondere school niet alleen bedoeld voor het confessioneel onderwijs, maar zou de opvoedkundige zelfstandigheid eveneens kunnen leiden tot stichting van scholen van nog onbekende signatuur. Gedacht werd aan anarchistische, humanistische of socialistische richtingen. Richting was in de zienswijze van de commissie een begrip met een open einde.2 De Raad van State dacht in zijn advies echter uitsluitend aan godsdienst. Vermoedelijk, zo zei de Raad:
‘… wordt hiermede [met de vrijheid van richting] gedoeld op de vrijheid van godsdienstige richting; het zou dan evenwel aanbeveling verdienen dit uit te drukken. Wordt toch het beginsel in zijn algemeenheid gesteld, dan zoude zelfs de vrijheid van richting, ook waar deze ingaat tegen de openbare orde, zijn gewaarborgd, wat, naar de mening van den Raad, ontoelaatbaar moet worden geacht.’3
In de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede en Eerste Kamer waren er Kamerleden die de term richting vooral zagen in de context van de schoolstrijd en er een confessionele betekenis aan gaven. Toch waren de meesten doordrongen van het feit dat met ‘richting’ meer werd binnengehaald dan alleen godsdienst.4 Wat was dit meer dan? Er werd gesproken over ‘geestelijke vrijheid’, ‘geestesrichting’ of ‘levensrichting’ en ook over ‘gewetensvrijheid’.5 In het Voorlopig verslag van de Eerste Kamer werd gesteld dat de vrijheid van richting:
‘(…) eene erkenning insluit van het recht en den plicht der ouders, om hunne kinderen op te voeden naar hunne godsdienstige en zedelijke wereldbeschouwing en mitsdien ook eene erkenning van de gewetensvrijheid en van het recht der persoonlijke overtuiging’.6
Volgens Zijlstra, die in de jaren’80 van de vorige eeuw onderzoek deed naar de ontstaansgeschiedenis van artikel 23 Grondwet, is er echter voor de stelling dat in de visie van de grondwetgever ook pedagogisch-didactische overtuigingen onder het begrip richting vallen geen plaats. Deze opvatting wordt breed gedeeld in de literatuur.7 Kortom: de grondwetgever dacht bij het begrip richting niet aan pedagogische visies maar primair aan godsdienst of levensovertuiging zonder daarbij per definitie overige geestelijke opvattingen te willen uitsluiten.
In andere wetten dan de Grondwet en in de jurisprudentie wordt richting vrijwel uitsluitend opgevat als godsdienstige of levensbeschouwelijke stroming (hierover later meer). In de literatuur en in de maatschappij is de laatste decennia kritiek te ontwaren op een dergelijke enge uitleg van het richtingbegrip. Van verschillende zijden wordt gewezen op de wenselijkheid van een ruimer richtingbegrip. In 2012 pleitte de Onderwijsraad voor een richtingbegrip dat ook betrekking heeft op pedagogische visies.8
De term richting is in verschillende andere wetten dan artikel 23 Grondwet opgenomen. De belangrijkste treffen we aan in de regeling omtrent het leerlingenvervoer (onder andere artikel 4 Wet primair onderwijs (WPO)) en de regeling omtrent de richtingsbezwaren met betrekking tot de leerplicht (artikel 5 leerplichtwet 1969). De term richting fungeert in beide regelingen als een individueel recht van ouders ten opzichte van de overheid. In die zin kunnen beide regelingen worden beschouwd als species van het individuele recht op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging opgenomen in artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM.
In de regeling omtrent leerlingenvervoer fungeert de term richting als element in aanspraak op subsidie. Ouders kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten naar de dichtstbijzijnde school van de gewenste richting indien in de buurt geen school te vinden is die aansluit bij hun godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen. Deze vergoeding berust op de gedachte dat niemand door financiële omstandigheden mag worden belemmerd in de vrije schoolkeuze van kinderen.9 In artikel 4 lid 3 van de WPO staat expliciet dat ouders in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten van hun kind indien er in de directe omgeving van het woonhuis geen school te vinden is met de gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Hieruit blijkt dat de wetgever ten aanzien van de vergoeding van vervoerskosten alleen de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting voor ogen had.10
Ten aanzien van de leerplicht vervult de term richting de functie van uitzonderingsbepaling: op grond van richtingsbezwaren (ernstige gemoedsbezwaren11) kan worden afgeweken van de leerplicht. Ouders kunnen dan thuisonderwijs geven.12 In de Memorie van Toelichting van de Leerplichtwet 1969 stelt de regering:
‘Bezwaren tegen een school zullen uitsluitend gebaseerd mogen zijn op de richting, niet op de soort van onderwijs. Anders zouden kortzichtige ouders door bezwaren te maken tegen iedere vorm van voortgezet onderwijs hun kinderen thuis kunnen houden.’13
Opmerkelijk is dat de wetgever de regel (artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969) hanteert dat er geen beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaren meer mogelijk is als een kind eenmaal op een school is ingeschreven:
‘Inderdaad betekent deze bepaling, dat, wanneer een kind eenmaal op een school is geplaatst, het niet meer voor de vrijstelling bedoeld in dit artikel in aanmerking komt, tenzij het verhuist of er geen school voor voortgezet onderwijs is binnen redelijke afstand van de woning van dezelfde richting als de school voor gewoon lager onderwijs.’14
Deze regel laat zien dat de wetgever, althans voor de vrijstelling, geen rekening houdt met ‘bekeringen’ of fundamentele veranderingen in geloofs- of levensovertuiging. De Raad van State was hierover destijds dan ook kritisch en vroeg zich of het niet te ver ging om
‘(…) iemand die zijn oordeel omtrent de geschiktheid van een bepaalde richting van een school serieus heeft gewijzigd, de aanspraak op vrijstelling te doen verliezen, indien het kind geplaatst is geweest op een school van de richting, waartegen bij het indienen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid van dit artikel bezwaar wordt gemaakt’.15
De kritiek van de Raad van State was voor de wetgever echter geen reden om het voorstel aan te passen.
Uit de wetsgeschiedenis en de literatuur blijkt dat de grondwetgever bij de term richting primair dacht aan godsdienst en levensbeschouwing.16 Hij had daarbij geen specifieke godsdiensten of levensovertuigingen op het oog en heeft zelfs principieel ruimte gelaten voor andere ‘geestelijke’ richtingen. Daarom kunnen we stellen dat de grondwetgever richting subjectief heeft gedefinieerd. Hij liet ruimte voor verschillende godsdiensten en levensovertuigingen. De enige beperking is dat louter pedagogisch-didactische onderwijswijzen niet onder de term richting mochten vallen. Vanuit politiek-filosofisch perspectief is de definiëring van de grondwetgever te duiden als communautaristisch. De term richting is open in zijn definiëring omdat dat elk godsdienstig of levensbeschouwelijk collectief de vrijheid moet hebben om op basis van zijn beginselen onderwijs te (doen) geven. Wat die beginselen zijn bepaalt het rechtssubject zelf. De betekenis van de term richting wordt derhalve bepaald door het rechtssubject, in de zin van een collectief.17
De wetgever van de Leerplichtwet 1969 laat echter een invloed doorschemeren die we meer kunnen associëren met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Volgens de Leerplichtwet 1969 is een beroep op vrijstelling wegens gewetensbezwaren niet meer mogelijk als een kind eenmaal op school is ingeschreven. Hieruit blijkt dat de wetgever een rigide perceptie had op godsdienst omdat er geen rekening wordt gehouden met bekeringen of fundamentele veranderingen in geloofsopvattingen. Dit past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme waarbij men uitgaat van de erkende gevestigde godsdiensten en waarbij afwijkende individuele geloofsopvattingen minder makkelijk worden geaccommodeerd.