Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/4.4.1
4.4.1 Primaire en secundaire schulden
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250400:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 849. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/43, met betrekking tot secundaire schulden in het algemeen.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 849 en Beckman 1995a, p. 547.
Kamerstukken II 1973/74, 11005, 64, p. 2 (2eNvW). Ik merk op dat de minister verwijst naar een voorloper van art. 2:403 BW, te weten: art. 38a WJO. Zie § 2.2 voor een bespreking van de wetsgeschiedenis van het groepsregime. Zie ook Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53, m.nt. Bartman (Ekelmans/Tevema), r.o. 3.5-3.9, Rb. Gelderland 1 april 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2680 (DuraMark/SPGPrints), r.o. 4.24, Niels 2010, p. 34, Zwemmer 2011, p. 224, Zwemmer 2012, p. 229 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 218.
Uniken Venema 1969, p. 272. Zie art. 6:203 BW.
Hof ’s-Hertogenbosch 24 januari 2012, JOR 2012/165, m.nt. Bertrams (Inalfa), r.o. 4.17.
Hof Amsterdam 26 juli 2001, JOR 2004/94, m.nt. Bartman (Hemony/Van der Woude), r.o. 4.8. Zie art. 7:686 BW. Zie ook Zwemmer 2011, p. 224 en Zwemmer 2012, p. 229.
Hof Amsterdam (OK) 23 juli 2014, JOR 2014/233, m.nt. Bartman (Van Lieshout/Koks), r.o. 3.6, ook gepubliceerd in JAR 2014/209, m.nt. Zwemmer, JIN 2014/156, m.nt. Baghery en JIN 2014/172, m.nt. Van der Kraan.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 849, Bartman in zijn annotatie onder Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53 (Ekelmans/Tevema) en De Neve 2011, p. 49.
Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2009, JOR 2009/279, m.nt. Bartman (Inalfa), r.o. 4.7.6-4.7.7.
Rb. Midden-Nederland 7 mei 2014, JOR 2014/260, m.nt. Harmsen (Curatoren/SNS), r.o. 3.5-3.8 en Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7, m.nt. Bartman (Propertize/SNS), r.o. 3.10. Zie instemmend Van der Kraan in zijn annotatie onder Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JIN 2016/12 (Propertize/SNS).
Met betrekking tot schulden die uit een rechtshandeling ‘voortvloeien’, kan een onderscheid worden gemaakt tussen primaire en secundaire schulden. Een primaire schuld ontstaat direct uit de rechtshandeling zelf. Als een 403-maatschappij bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst met een werknemer aangaat, is het salaris dat zij moet betalen een primaire schuld die uit de overeenkomst voortvloeit. Een secundaire schuld ontstaat indien de oorspronkelijke verbintenis niet wordt nagekomen.1 Als de 403-maatschappij de arbeidsovereenkomst ontbindt en de rechter oordeelt dat zij een ontbindingsvergoeding moet betalen aan de werknemer is dat een secundaire schuld. Een moedermaatschappij is op grond van de 403-verklaring zowel aansprakelijk voor de primaire schulden, als voor de secundaire schulden die uit een rechtshandeling van de 403-maatschappij voortvloeien.2
Secundaire schulden kunnen weliswaar hun directe ontstaansgrond in de wet hebben, maar dat neemt niet weg dat zij uit een rechtshandeling kunnen voortvloeien. De directe ontstaansgrond van bovengenoemde ontbindingsvergoeding is bijvoorbeeld het oordeel van de rechter dat de 403-maatschappij de vergoeding moet betalen aan de werknemer, maar deze vergoeding vloeit voort uit de arbeidsovereenkomst tussen de 403-maatschappij en de werknemer.
In de parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur zijn verschillende voorbeelden genoemd van secundaire schulden die uit een rechtshandeling voortvloeien en die daarom onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid vallen. De minister merkt bijvoorbeeld op dat een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor een schadevergoeding die de 403-maatschappij moet betalen als deze een overeenkomst vernietigt of ontbindt.3 Als de 403-maatschappij een overeenkomst ontbindt, vallen ook de eventueel daardoor ontstane verplichtingen tot terugbetaling uit hoofde van een onverschuldigde betaling4 of tot ongedaanmaking5 onder de 403-aansprakelijkheid. Daarnaast wijs ik erop dat uit twee uitspraken van Hof Amsterdam uit 2001 en 2014 volgt dat het feit dat het de rechter is die de arbeidsovereenkomst ontbindt,6 respectievelijk dat de werknemer zelf om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht,7 geen afbreuk doet aan het oordeel dat de ontbindingsvergoeding uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit.
Een ander voorbeeld van een secundaire schuld die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst tussen de 403-maatschappij en een werknemer – en waarvoor de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is – betreft de verplichting van de 403-maatschappij tot het betalen van een vergoeding wegens een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een kennelijk onredelijk ontslag.8
Voorts is een moedermaatschappij aansprakelijk voor een schadevergoeding die de 403-maatschappij moet betalen indien zij een wanprestatie pleegt door haar verplichtingen uit een overeenkomst niet correct of tijdig na te komen.9 Het Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat dit ook geldt als de overeenkomst om niet is aangegaan.10
Tot slot merk ik op dat ook een schadevergoeding wegens het niet nakomen van een met een overeenkomst samenhangende zorgplicht onder de 403-aansprakelijkheid valt. De Rechtbank Midden-Nederland en in hoger beroep de OK hebben in de Propertize/SNS-procedure geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat deze zorgplicht voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid.11 De OK overweegt dat op grond van art. 6:248 lid 1 BW de wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid mede de rechtsgevolgen van een overeenkomst bepalen. Dit brengt mee dat een – in casu bancaire – zorgplicht onderdeel is van de overeenkomst. Als de 403-maatschappij tekortschiet in de zorgplicht, schiet zij dus tekort in haar verplichtingen uit de overeenkomst. De moedermaatschappij is mede aansprakelijk voor een schadevergoedingsplicht die daaruit voortvloeit.