Parketnummer 23-003335-22.
HR, 14-10-2025, nr. 23/04030
ECLI:NL:HR:2025:1505
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/04030
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1505, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:2222
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:687
ECLI:NL:PHR:2025:687, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1505
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑06‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0337
CFN 2025/61 met annotatie van -
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Seksueel misbruik van 2 minderjarige kinderen, die regelmatig bij verdachte en zijn partner logeren en aan zijn zorg zijn toevertrouwd, art. 244 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr en art. 249.1 (oud) Sr. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.g.v. niet digitaal procederen, art. 432a Sv en art. 4.2.4 en 4.3.3.3 Procesreglement HR. Is beroep ontvankelijk, nu cassatieschriftuur per post en niet via webportaal is ingediend? Schriftuur is in strijd met art. 432a Sv en art. 4.2.4 en 4.3.3.3 Procesreglement HR door raadsman niet ingediend door plaatsing in webportaal. Raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen maar daarvan is geen gebruik gemaakt. Verdachte heeft dus niet op voorgeschreven manier bij HR door raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen. Gevolg daarvan is dat HR het beroep van verdachte niet in behandeling kan nemen. Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04030
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2023, nummer 23-003335-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.S. Rozenbeek bij een alleen per post ingediende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
De schriftuur is in strijd met artikel 432a van het Wetboek van Strafvordering en artikel 4.2.4 en 4.3.3.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden door de raadsman niet ingediend door plaatsing in het webportaal. De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen maar daarvan is geen gebruik gemaakt.
2.2
De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep, omdat de advocaat van de verdachte de schriftuur niet via het webportaal van de Hoge Raad heeft ingediend (maar via aangetekende post) en hij dit verzuim niet binnen de daartoe door de Hoge Raad gestelde termijn heeft hersteld.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04030
Zitting 8 juli 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 3 oktober 20231.wegens
1. “ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige” en3. “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige”2.
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en toepassing van de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven. Het hof heeft daarnaast beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.S. Rozenbeek, advocaat in Haarlem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
In onderhavige zaak is de cassatieschriftuur ingediend per post, en niet – zoals verplicht voor zaken waarin cassatieberoep is ingesteld op of na 1 januari 20233.– via het webportaal van de Hoge Raad. In deze conclusie bespreek ik de gevolgen van deze wijze van procederen voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende over de procesgang bij de Hoge Raad:(i) Op 16 oktober 2023 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam.(ii) Op 16 april 2024 heeft de griffie van de Hoge Raad ingevolge het in art. 434 lid 1 Sv bepaalde de stukken van het geding ontvangen van het hof.(iii) De ontvangst van de stukken is de verdachte ex art. 435 lid 1 Sv aangezegd op 22 mei 2024. De aanzegging bevat onder meer de mededeling dat op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep binnen zestig dagen door een advocaat een schriftuur moet worden ingediend bij de Hoge Raad en dat de termijn van zestig dagen is aangevangen op de dag na de datum van uitreiking.
(iv) Mr. Rozenbeek, advocaat van de verdachte, heeft op 27 juni 2024 een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend. Deze schriftuur is per aangetekende post toegestuurd aan de griffie van de Hoge Raad.
(v) Op 1 juli 2024 is door de strafgriffie ter attentie van mr. Rozenbeek een brief verstuurd naar zijn kantooradres, inhoudende:
“In de zaak tegen
Naam [verdachte]
(…)
heeft u op 27 juni 2024 per gewone post dan wel per faxbericht een schriftuur aangeboden aan de griffie van de Hoge Raad.
Digitaal procederen bij de strafkamer van de Hoge Raad is verplicht in zaken waarin op of na 1 januari 2023 beroep in cassatie is ingesteld dan wel een aanvraag tot herziening dan wel een verzoek tot nader onderzoek in de zin van artikel 461 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan, zie de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022 (Staatsblad 2022, 345). Deze verplichting geldt ook in zaken waarin op of na 1 januari 2023 door de feitenrechter prejudiciële vragen zijn gesteld aan de strafkamer van de Hoge Raad, zie artikel 4.2.4. Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
Gelet hierop zal de Hoge Raad het door u op 27 juni 2024 aangeboden stuk niet in behandeling nemen. Op de voet van art. 4.2.6. Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden krijgt u de gelegenheid dit verzuim te herstellen en het bedoelde processtuk alsnog in het webportaal te plaatsen binnen een door de rolraadsheer gestelde termijn. Deze termijn loopt tot en met: 15 juli 2024.
De Hoge Raad gaat ervan uit dat u in het vervolg in deze zaak alle proceshandelingen uitsluitend verricht in het webportaal.
Als u meent dat vanwege bijzondere omstandigheden hierop een uitzondering moet worden gemaakt, kunt u zich wenden tot de rolraadsheer.”
2.2
Art. 432a Sv, ingevoerd op 1 januari 2023,4.schrijft voor dat tijdens het beroep in cassatie de indiening van processtukken en de overdracht van berichten tussen de Hoge Raad en de raadsman van de verdachte plaatsvindt met behulp van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening, tenzij de wet of de Hoge Raad anders bepaalt. De hiertoe aangewezen voorziening betreft het webportaal van de Hoge Raad der Nederlanden.5.Enkele uitzonderingen op deze voorgeschreven wijze van procederen zijn omschreven in het Besluit betreffende het gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken, zoals bedoeld in artikel 4.2.1 en 4.2.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.6.Deze uitzonderingen zijn in onderhavige strafzaak niet van toepassing.
2.3
Wanneer een advocaat die verplicht is digitaal te procederen de schriftuur niet indient via het webportaal, maar op een andere wijze, dan krijgt hij de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een daartoe door de rolraadsheer gestelde termijn (zie art. 4.2.6 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden).
2.4
In het onderhavige geval is door de rolraadsheer de gelegenheid geboden om uiterlijk op 15 juli 2024 het verzuim te herstellen. Ik merk op dat deze termijn eerder afliep dan de 60-dagentermijn voor het indienen van de cassatieschriftuur, die eindigde op 22 juli 2024.7.. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de advocaat tot en met 22 juli 2024 de gelegenheid had het verzuim te herstellen. Tot het einde van de 60-dagentermijn heeft de advocaat immers de mogelijkheid op rechtsgeldige wijze een cassatieschriftuur in te dienen (dan wel om een reeds ingediende schriftuur (gedeeltelijk) in te trekken of aan te vullen).8.
2.5
Zowel de door de rolraadsheer gestelde termijn om het verzuim te herstellen als de 60-dagentermijn voor het indienen van een cassatieschriftuur zijn verstreken zonder dat op een rechtsgeldige wijze, namelijk via het webportaal van de Hoge Raad, een cassatieschriftuur is ingediend.9.Bij deze stand van zaken dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep.
3. Slotsom
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2025
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover dat gericht is tegen de beslissing van de rechtbank over het onder 2 tenlastegelegde, omdat de verdachte van dat feit is vrijgesproken.
In het Besluit betreffende het gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken, zoals bedoeld in artikel 4.2.1 en 4.2.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden zijn op de verplichting te procederen via het webportaal (ex art. 432a Sv) enkele uitzonderingen geformuleerd.
Zie het Besluit van 16 september 2022 tot vaststelling van het tijdstip van de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022, Stb. 2022, 364.
Zie art. 2 lid 1 onder a sub 6 van het Besluit digitale stukken Strafvordering jo. art. 1 van het Besluit aanwijzing elektronische voorziening ex Besluit digitale stukken Strafvordering.
Het Besluit houdt onder meer in: “Overeenkomstig artikel 4.2.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad, in overeenstemming met de procureur-generaal, bepaald dat de in artikel 432a Wetboek van Strafvordering bedoelde verplichting tot digitaal procederen niet geldt voora. de strafzaken waarin de Hoge Raad van het ingestelde cassatieberoep kennisneemt op de voet van artikel 1, eerste lid, Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;b. de uitleveringszaken waarin de Hoge Raad van het ingestelde cassatieberoep kennisneemt op de voet van artikel 2, eerste lid, Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten;c. de zaken ten aanzien waarvan de rolraadsheer heeft bepaald dat al dan niet tijdelijk geen gebruik hoeft te worden gemaakt van het webportaal van de Hoge Raad.”
Vanwege de aanzegging van de stukken op 22 mei 2024, zie onder 2.1 – iii.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 113.
Ik merk op dat de raadsman van de verdachte op 16 juli 2024 een brief heeft opgemaakt, inhoudende dat hij een foutmelding krijgt bij het digitaal indienen van de cassatieschriftuur. Deze brief is echter pas op 25 juli 2024 ontvangen door de Hoge Raad.
Beroepschrift 27‑06‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[Hoge Raad der Nederlanden
Afdeling DIV
Ingekomen]
[27 JUNI 2024]
[Behandelaar]
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], hierna te noemen ‘verzoeker’, geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats], voor deze aangelegenheid domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek;
dat verzoeker tot cassatie van te zijnen laste door het Gerechtshof te Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak met parketnummer 23/003335-22 gewezen arrest, waarin is geoordeeld dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan (1) het ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige en (3) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen heeft gepleegd die bestaan of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, het volgende middel van cassatie voordraagt:
Middel
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 552a Strafvordering en of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof het oordeel dat er onvoldoende wettige bewezen om tot een bewezenverklaring te komen, onvoldoende gemotiveerd heeft.
Toelichting:
Het arrest;
Het Gerechtshof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring overwogen als volgt:
- ‘(i)
Het Hof acht de verklaringen van de minderjarigen betrouwbaar en bruikbaar. Beide kinderen hebben een concrete en authentieke verklaring afgelegd. Zij hebben consistent verklaard. Zij hebben gedetailleerd verklaard over de aard van de handelingen, over de plaats en de context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden.
- (ii)
Het Hof is van mening dat de verklaringen van broer en zus niet op zichzelf staan en voldoende worden ondersteund door ander bewijs. De verklaringen van beiden komen overeen op belangrijke punten.’
Om vervolgens te concluderen:
Dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verzoeker het aan hem onder 1 en 3 van het tenlastegelegde heeft begaan.
Stanpunt verzoeker;
Door de raadsman is onder andere aangevoerd;
Dat er teveel ruimte voor twijfel is — alternatief scenario —, allereerst vanwege een bijzondere en complexe situatie van seksueel contact tussen broer en zus (aangeeftster), waarmee de verklaringen van beide minderjarigen (broer en zus) ongeloofwaardig of niet betrouwbaar moeten c.q. kunnen worden geacht en de twee verklaringen niet elkaars steunbewijs kunnen opleveren nu beiden contact met elkaar hebben.
Daarnaast is de getuige sturend geweest in het gesprek met een van de twee minderjarigen het verhaal van de een (broer) bij het gesprek met de ander (zus).
Daarnaast dat van een modus operandi geen sprake is, en daarmee de beide afzonderlijke verklaringen niet als steun kunnen dienen in deze zedenzaak.
Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt
De raadsman heeft uitdrukkelijk onderbouwd dat er geen steunbewijs voor de aanteigingen is.
De raadsman heeft ter zitting aangevoerd (proces-verbaal raadkamer):
‘Er is sprake van onvoldoende wettig bewijs’
‘De verklaringen van de minderjarigen kunnen niet worden gebruikt voor de verkarling van de ander’
Juridische kwalificatie van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt
Ongemotiveerd afgeweken
Het Gerechtshof is in haar arrest afgeweken van dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, en heeft dat gedaan zonder (nadere) motivering. Hetgeen onbegrijpelijk is.
Dit schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem, aldaar kantoorhoudende te 2012 EP aan de Stolberglaan nummer 8 aldaar, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzeeker tot cassatie.
Haarlem, 27 juni 2024
M.S. Rozenbeek