Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.3.2
7.3.2 Het verbod tot vervreemding en bezwaring en vermogen in de dode hand
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232430:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Al ziet niet iedereen dat zo. Zo schrijft Versteegh: ‘De kans is groot, (…), dat bij het disfunctioneren van de stichting, ontbinding uitblijft. Het gevaar dreigt dat daarmee het vermogen van de stichting in de dode hand komt’, waarmee zij lijkt te suggereren dat (slechts) onbeheerd vermogen, vermogen in de dode hand is, C.R.M. Versteegh, ‘Naar een verbeterde vorm van toezicht op de stichting voor het goede doel?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2004/3.
Zo adverteert Vereniging Hendrick de Keyser er zelfs mee ‘Eenmaal verworven huizen worden nooit meer verkocht’, advertentie in Ponder, het halfjaarlijkse mededelingenblad van de Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap (de advertentie verschijnt in elk nummer).
A. Telders, Bijdrage tot de geschiedenis van het bezit in de doode hand (diss. Utrecht), Utrecht: J.L. Beijers 1869, p. 212 e.v.
Karlheinz Muscheler in: Christoph Meking & Martin Schulte (red.), Grenzen der Instrumentalisierung von Stiftungen, Tübingen: Mohr Siebeck 2003, p. 157.
Huussen-de Groot 1976, p. 26.
A. Telders, Bijdrage tot de geschiedenis van het bezit in de doode hand (diss. Utrecht), Utrecht: J.L. Beijers 1869, p. 1.
A. Telders, Bijdrage tot de geschiedenis van het bezit in de doode hand (diss. Utrecht), Utrecht: J.L. Beijers 1869, voorwoord en p. 1. Scholten noemt de strijd tegen de dode hand ‘een strijd tegen de kerk’, Paul Scholten, ‘Over rechtspersonen. III. Stichtingen. II, WPNR 1923/2768.
Zoals vermogen bij de coöperatie, zie G. van Dijk, Leven uit de ‘dode hand’. Over toekomstig coöperatief ondernemerschap, inaugurele rede Landbouw Universiteit Wageningen 1991; G. J. H. van der Sangen, ‘Financiering van de coöperatie en haar juridische structuur (deel I). Juridische knelpunten in de financiering van de coöperatieve onderneming’, Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2001/10.
Volgens Puelinckx-Coene is de bestaanseis uit artikel 906 BBW in België in de wet gekomen om te vermijden dat de goederen die door de dood van de vroegere eigenaar hun titularis hadden verloren niet meteen een nieuwe eigenaar zouden krijgen en dus buiten de handel zouden komen, M. Puelinckx-Coene in: ‘De legatarissen en hun legaat’, Recyclagedagen 1986 Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen, Nederlandstalige Regionale Commissie, Antwerpen: Kluwer 1986, nr. 16.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/105 schrijven dat als het mogelijk zou zijn eigendom onoverdraagbaar te maken, een zaak ‘economisch dood’ zou kunnen worden verklaard.
Vermogen in de stichting is voor velen het schoolvoorbeeld van vermogen in de dode hand.1 Tegenwoordig wordt de angst voor de dode hand wellicht niet meer algemeen gevoeld,2 in het verleden was dat anders. Het bezwaar tegen vermogen in de dode hand was vroeger een belangrijke reden was de stichting argwanend te bejegenen. Niet alleen in België, zoals gezien in 2.4.1, maar ook in Nederland3 en Duitsland.4
Belangrijke bezwaren tegen het oprichten van stichtingen waren, dat op deze wijze vermogen wordt onttrokken aan het rechtsverkeer voor doelen die niet meer belangrijk worden gevonden en dat de wettige erfgenamen worden benadeeld.5
Maar wat is nu die dode hand? Telders schrijft:
‘De naam bezit in de doode hand behoort tot dezulke, die het begrip dat zij willen uitdrukken, zeer juist wedergeeft.
Evenals men den man dien alle rechtsbevoegdheid ontzegd is, burgerlijk dood noemt, kan men immers ook een bezit, dat de goederen die er het voorwerp van zijn, buiten den handel en het verkeer houdt, een dood bezit noemen.’6
Deze omschrijving van Telders is in de kern nog niet achterhaald, maar ontbeert het antwoord op de vragen wie het goed buiten de handel houdt en wat het bezwaar daartegen is. In Telders’ tijd waren die vragen waarschijnlijk overbodig. De dode hand werd, ook door Telders, in één adem genoemd met stichtingen en het kerkrecht.7 Echter ook daarbuiten kan sprake zijn van vermogen in de dode hand.8 De bezwaren tegen vermogen in de dode hand zijn dezelfde als die tegen het fideï-commis, behandeld in 7.2.2.1. De daar genoemde bezwaren tegen het fideï-commis gelden ook voor vermogen in de dode hand.
Tenzij men de bestaanseis (artikel 4:56 BW) wil zien als bepaling ter voorkoming van vermogen in de dode hand,9 bevat de huidige wetgeving geen bepalingen specifiek gericht tegen vermogensvorming in de dode hand anders dan artikel 4:45 lid 2 BW en, minder uitgesproken, artikel 3:83 BW.10