Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.5.b
5.5.b Zonder inhoudelijke beoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610732:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 5.3.
Paragraaf 5.3d.
Vgl. ook de motivering dat geen grieven zijn ingediend en het hof “ook ambtshalve geen redenen [ziet] voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, nu naar het oordeel van het hof geen termen aanwezig zijn om tot inhoudelijke behandeling van de zaak over te gaan” in HR 3 september 2013, NJ 2013/441.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 29 mei 2013, ECLI:CA1263, NBStraf 2013/ 241; Hof Amsterdam 16 oktober 2014, ECLI:5921; zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 11.
HR 12 maart 2013, NJ 2013/178.
Aldus ook A-G Machielse in zijn conclusie voor HR 12 maart 2013, NJ 2013/178. Zie over deze regel ook HR 26 april 2011, NJ 2012/473, m.nt. Borgers.
Ten derde kunnen de woorden ‘zonder onderzoek van de zaak zelf’ uit artikel 416 Sv worden uitgelegd als een aanwijzing aan de appelrechter dat de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv niet per se inhoudelijk hoeft te worden ingevuld. Oftewel: indien geen grieven zijn ingediend, kan de appelrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaren zonder informatie over de onderliggende strafzaak tot zich te nemen, in elk geval zonder de validiteit van de tenlastelegging of het oordeel uit eerste aanleg (‘de zaak’) meer of minder marginaal te beoordelen. Niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 416 Sv veronderstelt dus geen inhoudelijke toegangsbeoordeling of afweging van uiteenlopende belangen bij behandeling van de strafzaak. In deze uitleg bevestigen en specificeren de woorden ‘zonder onderzoek van de zaak zelf’ wat primair al blijkt uit het woord ‘kan’ uit artikel 416 Sv, namelijk dat die bepaling onder omstandigheden een beleidsvrije bevoegdheid tot toelating tot hoger beroep geeft.1
In paragraaf 3 bleek evenwel dat appelrechters bij de invulling van de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv in de praktijk acht slaan op allerlei factoren, onder meer op de mogelijkheid dat het hof een ander eindoordeel over de tenlastelegging velt dan de rechtbank.2 In deze gevallen vindt in feite toch inhoudelijke toegangsbeoordeling plaats.3 Om de claim van dit soort inhoudelijke toegangsbeoordeling te kunnen waarmaken, lijkt mij kennisneming van het vonnis, het proces-verbaal met verweren en eventueel de bewijsstukken en andere bescheiden nodig. In sommige andere hofarresten wordt bij toegangsweigering op grond van artikel 416 Sv de wetsgeschiedenis geciteerd: “Naar het oordeel van het hof prevaleert het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving in het algemeen en het belang van het beroep in het bijzonder in casu (niet) boven het belang van sanctionering van het verzuim [grieven in te dienen, GP].”4 Deze motivering duidt meer op vrije toegangsbeoordeling ingevuld met een open afweging van diverse belangen. Ook deze motivering vereist mijns inziens kennisneming van het vonnis en de overige stukken uit eerste aanleg. Hoe anders kan het gewicht van de aangehaalde belangen in concreto worden bepaald? Ondanks de woorden ‘zonder onderzoek van de zaak zelf’ is kennisneming van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en het (overige) bewijsmateriaal dus onder omstandigheden aangewezen bij de toepassing van artikel 416 lid 2 of 3 Sv, zo kan worden betoogd.
Wat de Hoge Raad hiervan denkt, is niet zonder meer duidelijk. De enige gepubliceerde uitspraak die hiermee in verband kan worden gebracht, draait om het volgende. Het hoger beroep tegen een ontnemingsbeslissing van de verdachte was bij verstek niet-ontvankelijk verklaard omdat geen grieven waren ingediend. Uit het arrest van de Hoge Raad wordt niet duidelijk hoe het hof deze beslissing heeft gemotiveerd. In elk geval had het hof niet laten blijken mede te hebben beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Daarover klaagde de verdediging in cassatie. Aangevoerd werd dat het Hof conform het tweede lid van artikel 422 Sv had moeten laten blijken mede te hebben beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg. De Hoge Raad oordeelde: “Nu onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv ‘of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt’ mede moet worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval, volgt uit art. 422 Sv dat de beraadslaging in hoger beroep bij de beoordeling van die vraag niet mede behoeft te geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.”5 Deze overweging sluit in zijn algemeenheid goed aan bij de vaste rechtspraak dat de appelrechter niet is gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen over standpunten of verzoeken die zijn aangevoerd ter terechtzitting in eerste aanleg maar waarvan niet is gebleken dat deze ter terechtzitting in hoger beroep zijn herhaald.6 Immers, als de verdediging verzuimt om in appel grieven aan te voeren, loopt zij eenvoudigweg het risico dat de appelrechter de toegang tot beroep weigert dan wel niet reageert op de niet-herhaalde verweren.
Anderzijds valt op dat de overweging van de Hoge Raad open is geformuleerd. Kennisneming van het onderzoek uit eerste aanleg is bij toegangsweigering niet verplicht, maar evenmin uitgesloten. De mogelijkheid om in het kader van het toegangsonderzoek in hoger beroep geen acht te slaan op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, laat onverlet dat appelrechters in bepaalde gevallen van dat onderzoek gebruik kúnnen maken. Als de motivering van toegangsweigering er blijk van geeft dat ambtshalve de juistheid van het vonnis uit eerste aanleg is beoordeeld of dat allerlei belangen zijn afgewogen, dan moet de onderliggende kennisneming van stukken dat misschien ook waarmaken. Indien dus de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv daadwerkelijk inhoudelijk of met een open belangenafweging wordt ingevuld, kan nog steeds worden betoogd dat de appelrechter acht móet slaan op dat onderzoek. Hoeveel ruimte bestaat voor beperkte kennisneming van stukken in het kader van toegangsonderzoek, lijkt mij in elk geval niet volledig uitgekristalliseerd.