Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.4.6:II.4.6 Substantie van het rechtsgevolg
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.4.6
II.4.6 Substantie van het rechtsgevolg
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178884:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in deze richting reeds Verdam 2013a, par. 7.1.
Ook ‘opinie-uitspraken’ over politieke opvattingen als in Hof Amsterdam 2 juli 1970, NJ 1970/436 (ASVA) zijn dus besluiten.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/2. In dezelfde zin Schut 1987, p. 1.
Hijma/Hijma 2019/4.
Vgl. het in § XI besproken royementsberoep.
Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 36 (MvT Vaststelling en invoering van titels 7.7, 7.9, 7.14 en 7.15 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Intussen blijft de hamvraag of dat rechtsgevolg voldoende is. Volstaat het gevolg van toerekening om te zeggen dat elk besluit een rechtshandeling is? Deze vraag laat zich verrassend gemakkelijk beantwoorden, tenminste voor wie aanneemt dat de toerekening op zichzelf het relevante gevolg van besluitvorming is. Dan wordt namelijk niet toegekomen aan de echt lastige vragen rondom het voor een rechtshandeling vereiste rechtsgevolg. Of het besluit het juridisch gevolg rechtstreeks teweegbrengt, doet niet terzake. Ongeacht de inhoud activeert besluitvorming rechtstreeks, zonder tussenschakels, het toerekeningsmechanisme. Zelfs het voorbereidend besluit is dus een rechtshandeling. Al evenmin van belang is of de handeling in kwestie het juridisch gevolg wel beoogt. Vanzelfsprekend beoogt ieder besluit, naast andere doelen, in ieder geval de toerekening van een zekere wil aan de rechtspersoon.1 Daarzonder heeft besluitvorming tenslotte geen enkele zin. Het materieel negatieve besluit is dus evenzo een rechtshandeling. Ten slotte is ook niet langer relevant in hoeverre het juridisch gevolg zich binnen of buiten de rechtspersoon moet manifesteren, en of dat gevolg naar zijn aard vermogensrechtelijk is of niet.2 De toerekening vindt telkens plaats en gaat aan die kwesties vooraf. Ook een intern besluit heeft als rechtsgevolg dat het wordt toegerekend. Aldus wordt tamelijk gemakkelijk weggebleven van de scherpe kantjes aan het rechtsgevolgvereiste.
Wat overblijft, levert weinig hoofdbrekens op. Als vaststaat dat een handeling een zeker gevolg rechtstreeks beoogt, is van een rechtshandeling snel sprake. Aan de aard van dat gevolg worden verder nauwelijks eisen gesteld. Zodra een handeling relevant is voor het recht, gaat het om een rechtsgevolg. De ruime definities laten dit zien. Sieburgh spreekt van een rechtsgevolg als een rechtsfeit ‘enig recht [doet] ontstaan of (…) een bestaand recht wijzigt, tenietdoet of doet overgaan’.3 Wanneer dat gevolg beoogd is, gaat het om een rechtshandeling. Hijma zegt in vrijwel gelijke bewoordingen dat het moet gaan om ‘het ontstaan, het gewijzigd raken of het tenietgaan van een juridische relatie’.4 Een rechtsgevolg lijkt dus voorhanden te zijn, telkens waar een handeling een juridisch verschil maakt. Telkens waar het de wil van een of meer individuen is om juridisch iets te veranderen of vast te leggen, ligt een rechtshandeling voor. Wanneer een orgaan besluit iets te willen voor de rechtspersoon, gaat het om een rechtshandeling. Het is, zo zou ik denken, op zijn minst gewrongen om dat te zien als een loutere beslissing, als een handelen louter van feitelijke aard waaraan rechtens geen betekenis toekomt.
Dit alles vindt bevestiging in het voorbeeld van de vaststellingsovereenkomst, een figuur die veel van het besluit wegheeft.5 Partijen komen een vaststelling overeen wanneer zij, om art. 7:900 lid 1 BW te parafraseren, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling van wat tussen hen rechtens geldt. Om een einde brengen aan de onzekerheid die daarover bestaat, of om die onzekerheid voor te zijn, kunnen partijen vastleggen wat tussen hen toch al geldt. De vaststellingsovereenkomst hoeft derhalve geen verandering in de rechtstoestand tussen partijen te behelzen.6 De vaststelling kan ook inhouden dat tussen partijen géén rechtsverhouding bestaat, bijvoorbeeld in het geval dat onderhandelingen niet tot een overeenkomst hebben geleid.7 Uit de overeenkomst ‘vloeit’, aldus de parlementaire geschiedenis, ‘voor elk der partijen de verbintenis voort om zich over en weer naar de vaststelling te gedragen’. Blijkens dezelfde parlementaire passage bestaat die verbintenis los van eventuele verbintenissen die op partijen rusten tot het verrichten van handeling tot uitvoering van de vaststelling.8
Zoals een besluit hoeft een vaststelling geen concrete, aanwijsbare gevolgen te hebben. Ze hoeft niets te veranderen. Sterker, het gaat om een beslissing die inhoudt wat de toestand tussen partijen moet zijn, niet om de vaststelling van die toestand zelf.9 De enkele beslissing bindt de partijen, maakt dat zij een overeenkomst hebben gesloten en een rechtshandeling hebben gesteld. Het rechtsgevolg van de vaststellingsovereenkomst hoeft niet meer in te houden dan dat partijen een beslissing hebben genomen over een geschil dat hen verdeeld houdt. Zo kan een besluit prima betekenen dat de wil van de rechtspersoon vast komt te staan. Om meer dan dat hoeft het niet te gaan. Omdat elk besluit bindt, is elk besluit een rechtshandeling.