Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.5.2
7.3.5.2 De afgeslankte ingebrekestelling bij omzetting
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378785:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 304.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 305.
Zie ook par. 7.3.6.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 288.
Vgl. voor ontbinding Parl. Gesch. Boek 6, p. 1004. Als nakoming na het verstrijken van de tijdelijke onmogelijkheid weer mogelijk wordt, geldt ook voor ontbinding van de overeenkomst in beginsel weer het verzuim-vereiste. Gedeeltelijke ontbinding voor het verleden zou in dit geval wel tot de mogelijkheden behoren, mits de schuldeiser heeft voldaan aan zijn klachtplicht (art. 6:89). Zie voor ontbinding van een duurovereenkomst wegens tijdelijke onmogelijkheid par. 7.3.8.4.
De Vries 1997a, p. 87, 106-107 en 144.
Als de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen, treedt volgens art. 6:82 lid 2 het verzuim in via een ingebrekestelling zonder aanmaning. De schuldeiser hoeft de schuldenaar geen extra termijn te geven, maar kan volstaan met een schriftelijke mededeling waarbij hij zijn wederpartij aansprakelijk stelt.
Met de afgeslankte ingebrekestelling bij tijdelijke onmogelijkheid heeft de wetgever een uitzondering geschapen op de hoofdregel dat het verzuim intreedt na het verlopen van een in de ingebrekestelling gegeven redelijke termijn voor nakoming (art. 6:82 lid 1). Deze keuze voor het maken van een uitzondering is niet vanzelfsprekend.
In het Voorlopig verslag bekritiseerde de vaste Commissie voor straf- en privaatrecht het wetsvoorstel van het huidige art. 6:87 (omzetting van de primaire verbintenis in vervangende schadevergoeding) waaraan een lid was toegevoegd dat bepaalde dat in geval van tijdelijke onmogelijkheid een ingebrekestelling niet is vereist:1
De wel zeer gedetailleerde uitzondering van art. 6:1.8.11 lid 3 (het huidige 6:87, DB), tweede zin Neen aanmaning is vereist indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen', DB), maken de zaak alleen maar ingewikkelder en kunnen beter worden geschrapt. Niet alleen kan een termijnstelling in de vorm van een aanmaning ook in de hier bedoelde gevallen zin hebben — de schuldenaar is dan in staat de hem door de schuldeiser gestelde termijn te vergelijken met de tijd gedurende welke hij zelf niet kan nakomen teneinde vast te stellen of er nog reden is door te gaan met de voorbereiding van zijn prestatie (...) — maar bovendien ligt het sturen van een aanmaning zo in de rede dat iedere schuldeiser de neiging heeft om zelfs in de hier bedoelde gevallen, al was het maar zekerheidshalve, een aanmaning te sturen.
De minister nam de kritiek van de vaste Commissie alleen pro forma over, maar niet de geest van het commentaar. De minister schrapte namelijk het lid in art. 6:87 van het Ontwerp dat vormgaf aan de uitzondering op de ingebrekestellingsverplichting bij omzetting van een verbintenis tot vervangende schadevergoeding in geval van tijdelijke onmogelijkheid. Hij verklaarde echter de regel van art. 6:82 lid 2 (aansprakelijkstelling zonder termijn) van overeenkomstige toepassing op de omzetting. Hiermee negeerde hij de kritiek van de Commissie dat een reguliere ingebrekestelling ook in geval van tijdelijke onmogelijkheid zin kan hebben.2
De schriftelijke mededelingsplicht bij tijdelijke onmogelijkheid van art. 6:82 lid 2 is gecreëerd met het oog op vertragingsschade. De ratio van het mededelingsvereiste bij tijdelijke onmogelijkheid is, dat de schuldeiser actie moet ondernemen om vertragingsschade te vorderen.3 Als geen formele handeling vereist zou zijn en het verzuim bij tijdelijke onmogelijkheid van rechtswege was ingetreden, zou een schuldenaar kunnen worden overvallen door een vordering tot vergoeding van de vertragingsschade als de schuldeiser achteraf bemerkt dat de schuldenaar tijdelijk niet heeft kunnen nakomen. Een schuldeiser die zich niet om de vertraging in de nakoming heeft bekreund, mag niet, als hij achteraf hoort dat de prestatie toerekenbaar tijdelijk onmogelijk was, alsnog over die periode een recht op vertragingsschade geldend maken.4
De rechtvaardiging voor de afgeslankte ingebrekestellingsverplichting bij tijdelijke onmogelijkheid geldt mijns inziens niet voor de figuur van de omzetting. Anders dan vergoeding van de vertragingsschade, die is gericht op vergoeding van in het verleden geleden nadeel, is omzetting in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding de vergoeding van het positief contractsbelang dus gericht op de toekomst. Het risico dat de schuldenaar wordt overvallen door een onverwachte vordering tot vervangende schadevergoeding zal zich echter niet snel voordoen. Na beëindiging van de periode van tijdelijke onmogelijkheid geldt het verzuim-vereiste weer in volle omvang en kan de schuldeiser de verbintenis voor de toekomst alleen met inachtneming van de hoofdregel van art. 6:82 lid 1 (ingebrekestelling met aanmaning) omzetten in vervangende schadevergoeding. De vergelijking tussen vergoeding van vertragingsschade en vervangende schadevergoeding gaat in dit opzicht dan ook mank.5
De afgeslankte ingebrekestellingsverplichting was voor omzetting in vervangende schadevergoeding derhalve niet nodig geweest om de situatie te voorkomen waarvoor zij bij de vertragingsschade in het leven was geroepen. De afgeslankte ingebrekestelling zal bij omzetting overigens vaak geen toegevoegde waarde hebben. De schuldeiser kan haar namelijk combineren met een omzettingsverklaring (art. 6:87 lid 1).6