Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.2.2
14.2.2 Sfeerovergangen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457769:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, Bijlage, blz. 17. Zie tevens L.G.M. Stevens, Herbezinning op het regime voor de inkomsten uit aandelen, Pre-ad-vies Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, blz. 50-54, IBFD Publications BV, Amsterdam, 1995 alsmede dezelfde, Naar een nieuwe regime voor inkomsten uit aandelen, WFR 1994/6108, blz. 882-885.
De werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting heeft het systeem van volledige compartimentering dan ook vanwege deze (te) hoge mate van uitvoeringsproblemen afgewezen, Bijlage bij de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, Bijlage, blz. 17. Ook de staatssecretaris van Financiën wijst een dergelijk systeem van volledige compartimentering eveneens als onuitvoerbaar van de hand. Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 8-9 alsmede de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 67. In dezelfde zin J.E.A.M. van Dijck die het huidige eenvoudige systeem in verband met de te verwachten uitvoeringsproblemen prefereert, J.E.A.M. van Dijck, De voorgestelde nieuwe aanmerkelijk-belangregeling. WFR 1996/6206, blz. 1002.
Gegeven het feit dat het onderscheid tussen de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en de bron 'inkomsten uit vermogen' wordt gelegd bij een kwantitatief belang van ten minste 5%> van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, moet voorts nog een enkel woord worden gewijd aan de sfeerovergangen tussen beide bronnen. In hoofdstuk 4, onderdeel 4.6 gaf ik aan dat de sfeerovergangen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' naar de bron 'inkomsten uit vermogen' en vice versa naar mijn oordeel onevenwichtig zijn vormgegeven:
Op het moment dat de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, geldt de historische tegenprestatie bij de verkrijging met als maximum de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen als de verkrijgingsprijs voor de aanmerkelijkbelangheffing;
Op het moment dat de aandelen, winstbewijzen e.d. niet langer tot een aanmerkelijk belang behoren, wordt ingevolge art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen e.d. aangenomen, zodat de aanmerkelijkbelangclaim (ooit) moet worden afgerekend. Als overdrachtsprijs geldt ingevolge art. 20c, vierde lid, Wet IB de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen e.d.
In hoofdstuk 4, onderdeel 4.6 heb ik mijn verwondering uitgesproken over dit mijns inziens wel erg eenzijdig naar de fiscus toegerekende systeem. Mij lijkt dat een consequent en rechtvaardig systeem in elk geval op beide cruciale sfeerovergangsmomenten uitgaat van dezelfde uitgangspunten:
• Of men kiest voor doorschuiving van de historische verkrijgingsprijs naar het aanmerkelijkbelangregime, maar dan ook geen afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim op het moment waarop niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang;
• Of men kiest voor afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim op het moment waarop niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang, maar dan ook geen doorschuif van de historische verkrijgingsprijs naar het aanmerkelijkbelangregime.
Zoals door de werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting in haar rapport reeds was geconstateerd, kan de problematiek van de sfeerovergangen alleen op bevredigende wijze worden opgelost via een systeem van volledige compartimentering.1 In een dergelijke systeem van volledige compartimentering wordt vastgesteld op welke periode de eventuele dividenduitkeringen en vervreemdingsresultaten betrekking hebben en naar het regime zoals dat in die periode gold, in de belastingheffing betrokken. Hebben de opbrengsten van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen betrekking op de periode waarin de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen, tot een zgn. aanmerkelijk belang behoorden, dan worden deze opbrengsten belast volgens het aanmerkelijkbelangregime, ook als deze opbrengsten worden genoten op een moment waarop de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen niet langer tot een aanmerkelijk belang behoren. Hebben de opbrengsten van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen betrekking op de periode waarin de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen niet tot een zgn. aanmerkelijk belang behoren, dan moeten deze opbrengsten worden belast naar het regime van de inkomsten uit vermogen, ook als deze opbrengsten worden genoten op een moment waarop de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen wel tot een aanmerkelijk belang behoren. Een dergelijk systeem van volledige compartimentering vereist echter steeds weer opnieuw een toerekening van de dividenduitkeringen en de vervreemdingsresultaten aan perioden, waarop ze materieel betrekking hebben en is mitsdien zeer bewerkelijk en in de praktijk moeilijk uitvoerbaar.2 Vandaar dat de fiscale wetgever uiteindelijk heeft gekozen voor een minder bewerkelijk en eenvoudiger uitvoerbaar systeem. Het uiteindelijk tot stand gebrachte systeem moet dus nadrukkelijk worden gezien als naastbeste oplossing.
Wijst men het systeem van volledige compartimentering af, dan rijst de vraag of het huidige regime van de sfeerovergangen, gegeven haar noodzakelijkerwijze imperfectie, de toets der kritiek kan doorstaan. Mijns inziens is dit niet het geval. Op beide sfeerovergangstijdstippen wordt voor verschillende uitgangspunten gekozen, waardoor een regime ontstaat dat eenzijdig ten voordele van de fiscus en ten nadele van de belastingplichtige uitwerkt. Ik meen dan ook dat een evenwichtig systeem met zich brengt dat op beide sfeerovergangsmomenten voor hetzelfde uitgangspunt wordt gekozen. Hierbij gaat mijn voorkeur uit naar een systeem waarbij als de verkrijgingsprijs geldt de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen op het moment dat deze tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, een 'step up' derhalve. Als belangrijkste argument kan hiervoor worden aangevoerd, dat iets soortgelijks ook geldt voor de overgang van aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen naar de winstsfeer. Ook dan worden de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen voor de waarde in het economische verkeer op de balans geactiveerd. Een dergelijk systeem past mijns inziens het best bij het quasi-ondernemerskarakter van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.4 en onderdeel 14.2.1 hiervoor).