Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/411
411 Een excessieve bonus
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370232:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Lid 7 van art. 2:135 BW zag wel op de gehele bezoldiging van een bestuurder.
Oorspronkelijk sprak het wetsvoorstel over het ‘variabele deel’. Het woord ‘variabel’ is vervolgens vervangen door het ‘niet vaste’ deel van de bezoldiging. Kamerstukken II, 2010/11, 32 512, nr. 7 p. 3.
Gedacht kan onder meer worden aan een ‘golden hello’ die wordt toegekend om het verlies van een bij de vorige werkgever achtergelaten lange termijn bezoldiging te compenseren. Een gegarandeerde bonus wordt incidenteel uitgekeerd en behoort daarom niet tot het vaste deel van de bezoldiging. Daarnaast is een dergelijke vorm van bezoldiging veelal afhankelijk van het aantreden van de bestuurder, of hij de eerste zes maanden naar behoren functioneert. Kamerstukken II, 2010/11, 32 512, nr. 7 p. 3.
In de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt, dat een uitkering door de vennootschap aan de bestuurder die door de rechter wordt vastgesteld, in het kader van een procedure tot beëindiging van het dienstverband van de bestuurder, niet onder deze definitie van bonus te scharen valt, aangezien de uitkering door de rechter niet wordt toegekend door de vennootschap. Kamerstukken II, 2010/11, 32 512, nr. 7, p. 3.
Kamerstukken II, 2009/10, 32 512, nr. 3 (MvT), p. 17.
Kamerstukken II, 2012/13, 32 512, nr. 25, p. 15. In deze derde situatie gaat het niet zozeer om een bonus maar om de premie die een bestuurder ontvangt op de verkoop van aandelen in de vennootschap die hij bij wijze van bezoldiging heeft verkregen. Overigens kan een transactiebonus eenzelfde uitwerking hebben. Art. 2:135 lid 7 BW zag alleen op de genoemde premie.
Allereerst dient te worden opgemerkt dat de aanpassings- en terugvorderingsbevoegdheid van art. 2:135 lid 6 en 8 BW niet van toepassing is op de gehele bezoldiging van een bestuurder, maar alleen op zijn bonus.1 Een ‘bonus’ beslaat daarbij een breed spectrum. Hieronder wordt verstaan het niet vaste deel van de bezoldiging waarvan de toekenning geheel of gedeeltelijk afhankelijk is gesteld van het bereiken van bepaalde doelen of van het zich voordoen van bepaalde omstandigheden.2 Onder deze definitie valt dus niet alleen een in hoogte variabele beloning, maar ook een incidentele in hoogte vaststaande beloning die afhankelijk is gesteld van het bereiken van een doel of het zich voordoen van een omstandigheid, zoals bijvoorbeeld een gegarandeerde bonus.3 Het in hoogte vaststaande deel van de bezoldiging dat structureel wordt toegekend valt niet onder het begrip ‘bonus’, bijvoorbeeld een jaarlijkse vaste eindejaarsvergoeding (dertiende maand). Een met de vennootschap overeengekomen vertrekvergoeding valt in beginsel wel onder het begrip bonus zoals gehanteerd in art. 2:135 BW.4 De toekenning van de vergoeding zal immers afhankelijk zijn gesteld van het (voortijdig) vertrek van de bestuurder.5
In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt dat de kans dat een in het vooruitzicht gestelde bonus buitensporig kan uitvallen naar verwachting groter is, naarmate er meer tijd ligt tussen de toekenning en de uitkering. Dit speelt in mindere mate bij gegarandeerde bonussen. Mede gelet op de veelal relatief korte termijn tussen het overeenkomen van een dergelijke bonus en de uitbetaling ervan, zullen zich naar verwachting niet snel omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat uitkering van een in het vooruitzicht gestelde gegarandeerde bonus naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit kan anders liggen indien de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Het is dan ook van belang dat, indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, de raad van commissarissen van de bevoegdheden gebruik kan maken en daarin niet wordt beperkt door de definitie van het begrip ’bonus’. In geval van vertrekvergoedingen ligt er normaal gesproken enige tijd tussen het aantreden van de bestuurder – waarbij een vergoeding in geval van vertrek kan zijn overeengekomen – en het vertrek zelf. Er kunnen uitzonderlijke omstandigheden zijn die aanpassing van een vooraf overeengekomen in hoogte vaststaande vertrekvergoeding rechtvaardigen, bijvoorbeeld een ernstige verslechtering van de bedrijfseconomische omstandigheden waarmee onvoldoende rekening is gehouden bij het overeenkomen van de vertrekvergoeding.6
In de parlementaire geschiedenis is verder te lezen, dat de aanpassings- en terugvorderingsbevoegdheid slechts betrekking hebben op de gevallen waarin er sprake is van een ‘excessieve’ bonus.7 De regering noemt drie situaties waarin een bonus excessief kan zijn, waarmee hij enige duiding geeft aan de oplossing die elk lid moet bieden. Ten aanzien van lid 6 wordt gesteld dat een bonus als excessief kan worden aangemerkt wanneer een bedrijf onverwacht zwaar verlies lijdt, waardoor massaontslagen dreigen. “De kredietcrisis heeft geleerd dat zulke situaties zich kunnen voordoen. Dan is het gek dat een bestuurder wel het afgesproken bedrag krijgt”, aldus de bewindspersoon.8 Van een excessieve bonus kan daarnaast sprake zijn wanneer deze achteraf gezien onterecht is uitbetaald. De terugvorderingsbevoegdheid van lid 8 dient dergelijke excessieve bonussen tegen te gaan. Ten slotte kan een ‘bonus’ ook als excessief worden bestempeld wanneer deze zo hoog is dat een bestuurder geneigd is zijn eigen belang bij het welslagen van een overname voorop te stellen “omdat hij een ‘klapper’ kan maken met de verkoop van de aandelen”.9 Lid 7 moest dit probleem mitigeren.