De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.9.3:10.9.3 Enquêterecht voor iedere belanghebbende?
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.9.3
10.9.3 Enquêterecht voor iedere belanghebbende?
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376994:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Josephus Jitta (2002), p. 111-113.
SER-advies 1988/14, p. 68.
Wet van 8 november 1993 (Stb. 1993. 597), in werking getreden op 1 januari 1994.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 4 en 13.
Geerts, diss. (2004), p. 87-88.
Lemstra (2005), p. 309 en Bartman & Holtzer (2010), § 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gedachte over de invoering van een ‘dringende gronden’-grondslag (§ 10.9.2.2) roept de vraag op of het enquêterecht niet rechtstreeks zou moeten openstaan voor belanghebbenden. In de literatuur is die vraag terecht al eens aan de orde gesteld.1 Aan deze kwestie is bij de jongste herziening van het enquêterecht in 2013 geen aandacht besteed. De SER is in zijn advies uit 1988 van mening dat een toekenning van de enquêtebevoegdheid aan ‘rechtstreeks belanghebbenden’ beslist niet moet plaatsvinden:
“De raad staat afwijzend tegenover het algemeen toekennen van een bevoegdheid tot het uitlokken van een enquete aan ‘ rechtstreeks belanghebbenden bij de onderneming’ (als bedoeld in de tweede deelvraag). De aard van het enquêterecht -een ‘zwaar’ middel, de toepassing waarvan op de betrokken rechtspersoon publiekelijk een smet kan werpen, ook als achteraf blijkt dat van wanbeleid of onjuist beleid geen sprake is- verdraagt het niet dat bedoelde bevoegdheid zou worden verleend aan onbepaalde belanghebbenden. Het begrip ‘rechtstreeks belanghebbenden’ is onduidelijk en onbepaald: het geeft geen uitsluitsel over de zwaarte van het belang dat op het spel moet staan, noch over de personen of groeperingen die de enquete zouden kunnen aanvragen. De concretisering van een dergelijke bepaling zou geheel aan de OK worden overgelaten. De wijze waarop de OK de bepaling zou toepassen, is niet te voorzien. In ieder geval houdt zo’n bepaling de mogelijkheid in van een zeer vergaande en onvoorspelbare verruiming van de kring van enquêtegerechtigden. De bepaling zou leiden tot rechtsonzekerheid voor de rechtspersonen ten aanzien waarvan het enquêterecht toepasselijk is.”2
Het SER-advies leidt tot de wetswijziging van het enquêterecht in 1994.3 De toenmalige Staatssecretaris van Justitie Kosto neemt het advies van de SER in deze wet over en laat de kring van enquêtegerechtigden ongewijzigd:
“De aard van het enquêterecht verdraagt niet dat een bevoegdheid wordt toegekend aan een zo vaag omschreven groep. Een zo onvoorspelbare en zeer vergaande verruiming van de kring van enquêtegerechtigden zou een overspanning van de mogelijkheden van het enquêterecht met zich meebrengen. Rechtsonzekerheid ten aanzien van de rechtspersonen op wie het enquêterecht van toepassing is zou daarvan het gevolg zijn. Het middel van het enquêterecht leent zich, gezien ook de nadrukkelijke wens van de wetgever van 1970 om lichtvaardige enquêteverzoeken te voorkomen (artt. 350 en 354), niet voor toekenning aan elke rechtstreeks belanghebbende. Ook zou onevenredige vergroting van de belasting van de ondernemingskamer kunnen worden verwacht. Een zo vergaande uitbreiding van de bevoegdheid een enquête te verzoeken lijkt ook mij reeds om deze redenen onaanvaardbaar. Zij lijkt mij ook niet nodig in die zin, dat er vermoedelijk ook geen werkelijke behoefte aan bestaat.”4
Ook Geerts meent dat het enquêterecht een te zwaar middel is om aan iedere belanghebbende toe te kennen. Hij wijst daarbij op het risico dat een crediteur van de vennootschap het enquêterecht gebruikt om nakoming van zijn vordering af te dwingen. Daarnaast vreest Geerts volgens mij terecht dat de toegang tot de OK dichtslibt indien de enquêtebevoegdheid toekomt aan iedere belanghebbende.5 De drempels van art. 2:346-347 BW voorkomen mijns inziens dat een zwaar middel als het enquêterecht free for all wordt. Ik acht het om deze reden en gelet op de argumenten van de SER en staatssecretaris dan ook niet raadzaam het enquêterecht aan iedere belanghebbende toe te kennen, al valt tegen bepaalde argumenten van de staatssecretaris wel wat in te brengen. De ‘rechtstreeks belanghebbenden’ die geen enquêtebevoegdheid hebben, maar wel menen dat een enquête geboden is, dienen zich mijns inziens tot de kring van enquêtegerechtigden te wenden. Daarbij valt met name te denken aan de A-G van het OM, zeker bij navolging van de door mij aanbevolen wijzigingen naar huidig recht (§ 10.8) en mijn gedachten over de verruiming van de beperkende werking van het begrip openbaar belang (§ 10.9.2).
In de literatuur is voorts opgemerkt dat aan de bezwaren en zorgen tegemoet kan worden gekomen door het enquêterecht weliswaar niet aan iedere belanghebbende toe te kennen, maar in ieder geval wel aan collectieve belangenorganisaties in de zin van art. 3:305a BW.6 Daarbij is onder meer de stelling geponeerd dat een dergelijk privaat collectief enquêterecht de inactiviteit van de A-G bij het OM ondervangt, met als gevolg dat zijn enquêtebevoegdheid kan worden geschrapt.