Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/4.3.1
4.3.1 Vennootschappelijke medezeggenschap in historisch perspectief
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS387395:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Raiser & Veil (2009), p. 3 (Einl, Rn. 1).
Betriebsrätegesetz vom 4. Februar 1920, RGBl I, p. 147.
De uitvoering van deze bevoegdheid was in een aparte wet neergelegd, genaamd: Gesetz über die Entsendung von Betriebsratsmitgliedern in den Aufsichtsrat vom 15. Februar 1922, RGBl I, p. 209.
Dit gebeurde met § 65 Gesetz zur Ordnung der nationalen Arbeit vom 20 Januar 1934, RGBl I, p. 45
Een dergelijke ontwikkeling heeft zich in het toenmalige Oost-Duitsland niet voorgedaan, zie Oetker (2008), p. 10-12 (Vorbem, Rn. 10-15).
Betriebsverfassungsgesetz vom 25. September 2001, BGBl I, p. 2518, das zuletzt durch Art. 9 des Gesetzes vom 29. Juli 2009 geändert worden ist.
Gesetzentwurf der Bundesregierung eines 2. Gesetzes zur Vereinfachung der Wahl der Arbeitnehmervertreter in den Aufsichtsrat, BT-Drucksache 15/2542, p. 1. De wet wijzigde de inhoud noch het toepassingsbereik van de medezeggenschap. Wel werden de bepalingen opnieuw gestructureerd en moderner geformuleerd om de toepassing voor de praktijk te vergemakkelijken.
Bericht der Sachverständigenkommission zur Auswertung der bisherigen Erfahrungen bei der Mitbestimmung, BT-Drucksache VI/334, 1970, p. 21.
De medezeggenschap in Duitsland kent een lange en roerige geschiedenis. Een eerste poging tot het invoeren van enige vorm van medezeggenschap deed zich voor tijdens de Revolutie van 1848. Werknemers verlangden op het eerste grote Arbeidsrechtcongres het recht mee te beslissen bij het bepalen van lonen en ontslagen, maar ook bij de keuze voor hun superieuren en werkmeesters. De plannen liepen stuk door de tegenstand van adel en burgerij.1 In de hierop volgende periode waarin Bismarck Duitsland regeerde (1865-1890), werden alle ideeën voor medezeggenschap onderdrukt. Eerst toen keizer Wilhelm II in 1890 de macht in handen nam, kwam de werknemersmedezeggenschap weer op de agenda te staan. Een eerste voorstel tot werknemersinvloed kende geen vennootschappelijke medezeggenschap, maar gaf werknemers het recht ondernemingsraden in te stellen die invloed kregen op arbeidsgerelateerde besluiten. Dit voorstel stuitte op felle kritiek van de Sociaal Democratische Partij en de vakbonden. Als gevolg van het protest werden ondernemingen niet verplicht ondernemingsraden in te stellen, maar konden zij hiertoe vrijwillig besluiten. In de jaren hierna veranderde het standpunt van de vakbonden. Met invoering van het Betriebsrätegesetz van 4 februari 1920 werd het instellen van een ondernemingsraad alsnog verplicht gesteld.2 Ook op het terrein van de vennootschappelijke medezeggenschap betekende deze wet een doorbraak. § 70 van het Betriebsrätegesetz bepaalde dat één of twee gedelegeerden van de ondernemingsraad deel uitmaakten van het toezichthoudende orgaan van de vennootschap, de Aufsichtsrat.3 Na de nationaalsocialistische machtsovername werd het Betriebsrätegesetz in 1934 ingetrokken.4
Na de Tweede Wereldoorlog werd het onderwerp van de medezeggenschap in het toenmalige West-Duitsland nieuw leven ingeblazen.5 Een eerste succes vond plaats in de mijn-, kool- en staalindustrie. De ondernemingen in deze sector waren bang door de geallieerden te worden ontvlochten. Om dit gevaar af te wenden, riepen de ondernemingen de hulp van de vakbonden in. Aangezien de vakbonden tijdens de oorlog niet met de Nazi’s hadden gesympathiseerd, hadden zij een belangrijke stem in het geheel. In ruil voor de hulp van de vakbonden boden de ondernemingen de werknemers medezeggenschap aan met betrekking tot de helft van de leden van de Aufsichtsrat. Er werd een model opgesteld dat, na verhitte discussie, in 1951 door de wetgever in het Montan-Mitbestimmungsgesetz (Montan- MitbestG) werd vastgelegd. Dit model ging uit van pariteit tussen werknemers en kapitaalverschaffers en geldt tot op de dag van vandaag.
In 1952 was het politieke klimaat gewijzigd. De angst voor ontvlechting was geweken. Dit verklaart waarom het Betriebsverfassungsgesetz (BetrVG) van 19526 – in 2004 vervangen door het Drittelbeteiligungsgesetz (DrittelbG)7 – een beperktere vorm van medezeggenschap bevatte dan het Montan-MitbestG. Het BetrfVG kende aan de werknemers medezeggenschap toe met betrekking tot een derde van de leden van de Aufsichtsrat. In de daarop volgende jaren probeerden de vakbonden tevergeefs het pariteitsmodel van het Montan-MitbestG op de gehele Duitse industrie van toepassing te verklaren. Wel werd in 1956 het toepassingsbereik van het Montan-MitbestG uitgebreid met de inwerkingtreding van het MitbestimmungsergänzungsGesetz (MitbestErgG). Op grond van deze wet kregen werknemers van dochterondernemingen medezeggenschap in de holding voor zover het hoofddoel van de groep als geheel betrekking had op activiteiten in de mijn-, kool- en staalindustrie.
Na een lange periode van stilte stelde de toenmalige CDU-regering in 1968 een commissie in om de bestaande regelingen op het terrein van de vennootschappelijke medezeggenschap te evalueren. De commissie – onder leiding van Kurt Biedenkopf – kwam in 1970 met haar rapport. Hoewel de commissie adviseerde tot een verdere uitbreiding van medezeggenschap, werd het niet nodig geacht dat binnen de gehele industrie exacte gelijkheid tussen werknemers en kapitaal zou ontstaan. De commissie meende dat pariteit de besluitvorming zou verlammen, terwijl een dergelijk systeem niet nodig was ter behartiging van de werknemersbelangen.8 Na lange onderhandelingen en wisselende coalities binnen de regering werd in 1976 uiteindelijk het Mitbestimmungsgesetz (MitbestG) aangenomen. Deze wet kent een derde model van medezeggenschap. Dit model gaat uit van pariteit tussen werknemers en kapitaalverschaffers met een voorzitter van kapitaalzijde en werd beschouwd als een middenweg tussen de twee al bestaande modellen. Het MitbestG is van toepassing op vennootschappen met in de regel meer dan 2.000 werknemers.