Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.2.1
8.2.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940587:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.1.
Het BBBB is voornamelijk van belang vanwege de voorschriften die de inspecteur bij het bepalen van de strafmaat in acht moet nemen (zie daarover nader paragraaf 14.4.3.1). Het beleid voor boetebepalingen op andere terreinen dan de heffing van rijksbelastingen is uitgewerkt in afzonderlijke besluiten, zoals het BBBB/Toeslagen en de Leidraad Invordering.
Ook de wetgever van de Vierde Tranche Awb achtte codificatie van bewijsregels overbodig, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 131-132.
De rechtsbronnen van het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken komen grotendeels overeen met die van het algemeen geldende fiscale bewijsrecht. Wat betreft het geschreven recht gaat het dan om (een selectie van) bepalingen uit de Awb en de AWR, maar de nadruk ligt op het ongeschreven recht zoals dat kenbaar is uit de jurisprudentie.1 Er bestaan ook enkele bronnen die specifiek voor de fiscale bestuurlijke boete van belang zijn. Enerzijds bevatten zowel de Awb (Hoofdstuk 5) als de AWR (Hoofdstuk VIIIA) bijzondere bepalingen die de gang van zaken omtrent het opleggen en bestrijden van de fiscale bestuurlijke boete regarderen. Anderzijds bestaat er speciaal voor de boeteoplegging geschreven beleid, vastgelegd in onder meer het BBBB.2
Net als in het algemene fiscale bewijsrecht is het uitgangspunt in de boetesfeer de vrije bewijsleer. Voor wat betreft de toegelaten bewijsmiddelen, de wijze van bewijslevering en bewijsgaring, en de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen bestaan ook in boetezaken geen geschreven regels.3 Het bewijsrecht dat geldt voor de fiscale bestuurlijke boete moet wat deze deelgebieden betreft dus vooral uit de jurisprudentie worden afgeleid.
Kenmerkend voor het boeterecht is wel, dat de relevante jurisprudentie niet beperkt is tot de uitspraken en arresten van de nationale rechtscolleges en het Hof van Justitie in Luxemburg, maar voor een belangrijk deel bestaat uit arresten van het EHRM in Straatsburg. Het gaat in het bijzonder om de arresten waarin het EHRM uitleg geeft aan art. 6 EVRM in de strafrechtelijke context (‘under its criminal head’).4 De nationale jurisprudentie wordt in hoge mate beïnvloed door de rechtsregels uit die arresten. In het navolgende sta ik daarom in paragraaf 8.2.2 eerst stil bij de rol en betekenis van het EVRM voor de bewijspositie in fiscale bestuurlijke boetezaken. Omdat ook het strafrecht in algemene zin een belangrijke bron van inspiratie is voor het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken, ga ik ook daarop nog kort in (paragraaf 8.2.3).