Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/3.2
3.2 De stelplichten van de schuldeiser
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377509:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bnumer & De Jong 2004, nr. 204; Asser/Hijma 2007 (5-1), nr. 373; en Asser 2004, nr. 21: 'De partij die nakoming van een verbintenis vordert moet niet de verbintenis bewijzen omdat normaal gesproken mensen niet door een verbintenis gebonden zijn, maar omdat zijn wederpartij het bestaan van de verbintenis betwist en het recht bepaalt dat de vordering alleen maar kan worden toegewezen als de gestelde verbintenis komt vast te staan.'
HR 23 november 2007, RvdW 2007, r.o. 4.8.4(Ploum/Smeets).
HR 7 december 2001, NJ 2002, 494, r.o. 3.5 m.nt. DA, zie ook de rechtsvergelijkende conclusie van A-G Bakels; en Asser 2004, nr. 25.
HR 9 september 2005, NJ 2005, 468, r.o. 4.5.2, zie ook 3.10 van de conclusie van A-G Keus.
Vgl. HR 26 september 2003, NJ 2004, 21(B/W) (schuldenaren hadden niet voldaan aan hun stelplicht ten aanzien van de vernietigbaarheid van de overeenkomst). Vgl. voor het Duitse recht Neufang 1998, p. 311.
HR 16 januari 2004, NJ 2004, 164, r.o. 3.4.2(Badawy/Atlanta).
Zie ook par. 6.3.8.
Zie bijv. HR 8 maart 2002, NJ2002, 199, r.o. 3.4. Vgl. Broekema-Engelen (Verbintenissenrecht), art. 6:74, aant. 24, die ook de verrekening als een recht ter zake van niet-nakoming noemt.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 273.
De term niet-nakoming is ruimer dan de term tekortkoming. Noch de oorzaak van het niet voldoen aan de verbintenis (overmacht of verzuim), noch de rechtvaardiging daarvan (opschortingsrecht, opeisbaarheid) zijn relevant voor het bepalen of sprake is van een niet-nakoming, vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 320. Smits 2004a, p. 14-15, is van mening dat er geen sprake is van een niet-nakoming indien de verbintenis nog niet opeisbaar is: 'Waartoe men niet verplicht is, behoeft men niet van een juridische term te voorzien'. Het is echter niet uitgesloten dat de schuldeiser nakoming vordert van een nog niet-opeisbare verbintenis. Zie hierna par. 3.3.3. De term niet-nakoming heeft in dat geval wel degelijk juridische betekenis, zij duidt de prestatie aan ten aanzien waarvan een verplichting tot nakoming zal ontstaan.
Zie ook par. 2.2.2 en 2.2.5. In het Duitse en Franse recht geldt voor het recht op nakoming wel een 'niet-nakomingsvereiste', resp. `Pflichtverletzung' en `inexécution'. Zie voor het Duitse recht bijv. BT-Drucks 14/6040, p. 92 en 127-128; en Stoll 2001, p. 590, anders Wener 2008, p. 771. Zie voor het Franse recht bijv. Molfessis 2005, nr. 19, p. 45; en Carbonnier 2000, nr. 153, p. 291-292.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 895.
Vgl. Wener 2008, p. 771.
Zo ook Van Opstall 1976, p. 136-137.
HR 23 januari 1987, NJ 1987, 962 (ondanks toewijzend vonnis is eiser in de proceskosten veroordeeld).
Indien een schuldeiser nakoming vordert, waartegen de schuldenaar zich verzet, zijn de stelplichten als volgt over de partijen verdeeld. De schuldeiser moet het bestaan van de overeenkomst en de daaruit voor de schuldenaar voortvloeiende verbintenis stellen en bij tegenspraak bewijzen.1 Indien een schuldenaar zich tegen een vordering tot nakoming verweert met de stelling dat de schuldenaar zich niet tijdig heeft beroepen op een gebrek in de prestatie (art. 6:89, art. 7:23), rust op de schuldeiser de stelplicht dat en op welke wijze hij tijdig op een voor de schuldenaar kenbare wijze aan zijn klachtplicht heeft voldaan.2 Indien de overeenkomst een opschortende voorwaarde inhoudt, moet de schuldeiser ook bewijzen dat deze voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat.3 De schuldenaar die zich beroept op (het vervuld zijn van) een ontbindende voorwaarde heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien daarvan.4
Op de schuldenaar rust de stelplicht ten aanzien van het door hem ingeroepen verweer dat de overeenkomst waarvan de schuldeiser nakoming vordert (ver)nietig(baar) is.5 De schuldenaar dient eveneens belast te worden met de stelplicht ten aanzien van de door hem ingeroepen bevrijdende feiten.6 Bijvoorbeeld, dat hij reeds heeft betaald, dat de overeenkomst is ontbonden of is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, dat hij zich bevoegdelijk op een opschortingsrecht beroept; of dat nakoming in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd.7
Zoals ik hierna zal uitwerken, is voor de uitoefening van het recht op nakoming niet vereist dat vaststaat dat de schuldenaar is tekortgeschoten. In concreto betekent dit dat het verzuimvereiste, dat deel uitmaakt van het tekortkomingsbegrip, niet van toepassing is op het recht op nakoming. In de volgende paragraaf bespreek ik de verschillende onderdelen van het tekortkomingsbegrip in het licht van het recht op nakoming. Gesteld echter dat de tekortkoming geen vereiste is voor het recht op nakoming, dient de schuldeiser dan, net zoals bij een beroep op een opschortingsrecht,8 wel te stellen dat de wederpartij haar prestatie niet heeft verricht?9 Dient de schuldeiser in andere woorden, te stellen dat er sprake is van een niet-nakoming10
Met het oog op de plaats van het recht op nakoming in ons rechtsbestel ben ik van mening dat de schuldeiser niet hoeft te stellen dat zijn wederpartij niet-nakomt. Naar Nederlands recht wordt het recht op nakoming immers gezien als een recht dat rechtstreeks uit de verbintenis uit overeenkomst voortvloeit.11 Het recht op nakoming ontstaat niet na en als gevolg van een storing in de nakoming, maar gaat daaraan vooraf. Meijers in zijn toelichting op het huidige art. 3:296 rept
dan ook niet van een storing in de nakoming van de verplichting van de schuldenaar:12
In het algemeen kan hij, die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe worden veroordeeld.
Een schuldeiser die nakoming vordert, hoeft mijns inziens dan ook niet te stellen
dat zijn wederpartij niet is nagekomen.13 Van eenzelfde opvatting gaat Van Opstall int 14
De schuldeiser die de schuldenaar in rechte tot nakoming wil doen veroordelen, behoeft in de dagvaarding waarbij hij de daartoe strekkende vordering instelt als grondslag daarvan slechts die feiten te stellen, waaruit het ontstaan van de verbintenis en de opeisbaarheid van de prestatie volgt, en slechts deze zal hij in geval van betwisting hebben te bewijzen. De stelling dat de schuldenaar de verbintenis niet is nagekomen is daarin dus overbodig, en a fortiori de stelling dat de schuldenaar met de nakoming in verzuim is, want zelfs als dit niet het geval zou zijn, zou dat aan de toewijsbaarheid van de vordering niet af doen.
Tegengeworpen kan worden, dat bij het ontbreken van een stelplicht ten aanzien van de niet-nakoming schuldeisers er licht toe kunnen overgaan zekerheidshalve een vordering tot nakoming in te stellen. Indien de schuldenaar zich ter zitting bereid verklaart de prestatie uit te voeren, loopt de schuldeiser immers weliswaar het risico in de proceskosten te worden veroordeeld, maar zal de rechter de vordering wel toewijzen.15 De financiële prikkel tot betaling van de proceskosten weerhoudt schuldeisers met een voldoende groot nakomingsbelang er mogelijk niet van een met een executoriale titel versterkt recht op nakoming te verkrijgen. Ter relativering van dit probleem dient echter te worden opgemerkt dat, zoals ik in par. 3.3.3 bespreek, de schuldeiser wel belast is met de stelplicht ten aanzien van de opeisbaarheid van de verbintenis, wat een dam zal opwerpen tegen lichtvaardig ingestelde nakomingsvorderingen. Eventuele chicanes zullen verder via de weg van misbruik van recht (art. 3:13) moeten worden opgelost.