Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.6.3
VI.6.3 Expliciet toebedeelde bestuurstaken en bevoegdheden
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242757:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dat de niet-uitvoerende bestuurder met uitvoerende taken kan worden belast, wil niet zeggen dat zulks ook wenselijk is. Ik kom daar in het hiernavolgende op terug.
Idem Boschma e.a. 2018, p. 18; Croiset van Uchelen, TOP 2014/242; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 5.5; Kersten 2018, p. 29; Van Schilfgaarde, in zijn noot onder HR 6 januari 2011, NJ 2012, 336 (Imeko); en Schwarz & Van der Zanden, TvOB 2017, afl. 3, p. 92.
Blanco Fernández 1993, p. 25. Ik wijs ook op Kamerstukken II 1969/70, 10 751, 3, p. 12 (MvT), waarin de wetgever aangeeft dat de andere taken en bevoegdheden van de raad van commissarissen moeten worden beschouwd als een ‘onderdeel of uitvloeisel van de algemene taak van toezicht en advies’.
In gelijke zin Blanco Fernández 1993, p. 25.
Zie art. 2:134/244 lid 4 BW.
In gelijke zin Verboom 2017, p. 241; en Lennarts & Roest 2016, p. 115.
Evenzo Dortmond, Ondernemingsrecht 2016/82.
Zie Kamerstukken II 2018/19, 34 491, 7, p. 5-6 (NvW); en Kamerstukken I 2019/20, 34 491, A, p. 6-7 (Gewijzigd voorstel van wet).
Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 8 en 10; en Kamerstukken I 2019/20, 34 491, A, p. 6-7 (Gewijzigd voorstel van wet).
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 13 (MvT).
HR 6 januari 2011, NJ 2012, 336 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2012/75 m.nt. Verburg (Imeko),
Zie art. 2:151/261 lid 1 BW.
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/284; en Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:151/261 BW, aant. 2.
Ik leid dit af uit HR 6 januari 2011, NJ 2012, 336; JOR 2012/75 (Imeko).
Zie over de relevantie van de functieaanduiding in aansprakelijkheidskwesties § VII.3.2.5.b. In diezelfde subparagraaf ga ik in op de rol van de taakverdeling.
Evenzo Strik 2010, p. 125; en Timmerman 2009, p. 26.
De niet-uitvoerende bestuurder heeft een ‘niet-uitvoerende’ hoedanigheid. Dit wil evenwel niet zeggen dat de niet-uitvoerende bestuurder enkel met ‘niet-uitvoerende’ taken en bevoegdheden belast kan worden. Hiervoor schreef ik al dat de niet-uitvoerende bestuurder op grond van art. 2:130/240 lid 2 BW bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen, tenzij deze bevoegdheid hem statutair is ontnomen. Behalve beperken, kunnen de statuten zijn takenpakket ook verder uitbreiden. Zoals in § V.5.4 vermeld, staat de wet niet aan een formele toebedeling van uitvoerende taken aan de niet-uitvoerende bestuurder in de weg.1 Dit betekent dat hij bijvoorbeeld met de inkoop, de verkoop, het aansturen van een bepaald bedrijfsonderdeel of het personeelsbeleid kan worden belast.2
Hier doemt een belangrijk verschil op met de commissaris. Een commissaris is geen bestuurder. De toebedeling van taken en bevoegdheden aan het bestuur en de raad van commissarissen is van dwingend recht. Taken die op grond van de wet op het bestuur rusten, kunnen dan ook niet aan een commissaris worden opgedragen.3 Ook art. 2:140/250 lid 3 BW wijst in die richting. Het derde lid van art. 2:140/250 BW rept van ‘aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en van zijn leden’. In navolging van Blanco Fernández leid ik hieruit af dat de aanvullende taken en bevoegdheden steeds met de toezichthoudende en adviserende taak van de raad van commissarissen moeten samenhangen.4
Uitvoerende bestuurstaken kunnen dus niet formeel aan een commissaris worden toebedeeld.5 Althans, niet permanent. Want een commissaris kan krachtens een statutaire bepaling of een besluit van de algemene vergadering wel voor een zekere tijd of onder zekere omstandigheden bestuurstaken verrichten, zie het eerste lid van art. 2:151/261 BW. Het schoolvoorbeeld is de commissaris die bestuurstaken op zich neemt krachtens een statutaire bepaling bij ontstentenis of belet van de bestuurders.6
Art. 2:151/261 lid 1 BW beperkt zich overigens niet tot dit geval. De regeling is bijvoorbeeld ook van toepassing wanneer de raad van commissarissen bij het staken van stemmen van de bestuurders op grond van een statutaire bepaling de beslissing neemt.7 De wetgever miskent dit.8 In het Wetsvoorstel wet bestuur en toezicht rechtspersonen wordt voorgesteld in het vierde lid van art. 2:134/244 BW te bepalen dat degene die bij ontstentenis of belet van elk van de bestuurders ingevolge een statutaire regeling is aangewezen tot het verrichten van bestuursdaden, voor wat deze bestuursdaden betreft met een bestuurder gelijkgesteld wordt.9 Voorgesteld wordt voorts art. 2:151/261 BW te schrappen.10 Volgens de minister komt aan deze bepaling geen zelfstandige betekenis meer toe wanneer het gewijzigde art. 2:134/244 lid 4 BW in werking treedt.11 Ik zie dat anders. Art. 2:151/261 BW heeft mijns inziens een breder bereik.
Dat een commissaris tijdelijk bestuurshandelingen verricht, heeft niet tot gevolg dat hij formeel bestuurder wordt van de vennootschap. Hij is en blijft een commissaris, aldus de Hoge Raad in de eerste Imeko-zaak.12 Het enige gevolg is dat hij, wat betreft zijn rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en derden, als bestuurder wordt aangemerkt.13 Zit een commissaris op de stoel van de bestuurder zonder dat een statutaire bepaling voorhanden is of de algemene vergadering daartoe besloten heeft, dan geldt de regeling van art. 2:151/261 lid 1 BW niet. De commissaris kan dan hoogstens als feitelijk beleidsbepaler worden aangemerkt.14
Als de niet-uitvoerende bestuurder wordt belast met uitvoerende taken, dan heeft dat evenmin gevolgen voor zijn hoedanigheid. Hij is en blijft een niet-uitvoerend bestuurder, aangezien hij tot niet-uitvoerend bestuurder is benoemd.15 Wel verandert zijn aansprakelijkheidspositie. In eventuele aansprakelijkheidskwesties is namelijk niet zijn functieaanduiding, maar de omvang van zijn takenpakket relevant.16 Een uitgebreider takenpakket vertaalt zich in een grotere verantwoordelijkheid en daarmee een groter aansprakelijkheidsrisico.17 Dit ligt niet anders indien de niet-uitvoerende bestuurder zich met een uitvoerende bestuurstaak bemoeit, zonder dat die taak formeel aan hem is toebedeeld. In § VII.3.2.5.b ga ik hier nader op in.
Boek 2 BW verhindert kortom niet dat de niet-uitvoerende bestuurder met uitvoerende taken wordt belast. Of het wenselijk is dat de niet-uitvoerende bestuurder zich op uitvoerende taken moet richten, is een andere vraag. De niet-uitvoerende bestuurder moet dan immers toezicht houden op zijn eigen taakuitoefening. Zoals hiervoor vermeld, komt dat adequaat en onafhankelijk toezicht niet ten goede.