Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.6.2
VI.6.2 Vertegenwoordiging van de vennootschap
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242825:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:130/240 lid 2 en 3 BW.
Aan commissarissen wordt soms vertegenwoordigingsbevoegdheid toegekend op grond van art. 2:130/240 lid 4 BW. Ook wordt hen wel een (beperkte) volmacht verleend. Van Solinge en Nieuwe Weme wijzen er terecht op dat het vertegenwoordigend handelen van de commissaris hem in de sfeer brengt van het bestuurshandelen, waardoor hij mogelijk als ‘feitelijk bestuurder’ kan worden aangemerkt. Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/337.
Zie Model Articles for Public Companies/Private Companies s.3. Zie voorts expliciet LNOC Ltd v Watford Association Football Club Ltd [2013] EWHC 3615 (Comm). Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de gezamenlijke uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Zie onder anderen Davies & Worthington 2016, p. 153; Goodison 2017b, p. 93 en 98; en Worthington 2016, p. 94-95. Zie over de ‘actual authority’ van de board of directors uitgebreid Freeman and Lockyer v Buckhurst Park Properties (Mangal) Ltd [1964] 2 QB 480.
Zie Model Articles for Public Companies/Private Companies s.5. Zie ook expliciet Freeman and Lockyer v Buckhurst Park Properties (Mangal) Ltd [1964] 2 QB 480; en Hely-Hutchinson v Brayhead [1968] 1 QB 549.
Lord Denning MR in Hely-Hutchinson v Brayhead [1968] 1 QB 549: “A managing director will have implied actual authority to do all such things as fall within the usual scope of that office.” In gelijke zin: LNOC Ltd v Watford Association Football Club Ltd [2013] EWHC 3615 (Comm).
Zie expliciet Model Articles for Public Companies/Private Companies s.3.
Zie bijvoorbeeld Hely-Hutchinson v Brayhead [1968] 1 QB 549; en LNOC Ltd v Watford Association Football Club Ltd [2013] EWHC 3615 (Comm).
Van een apparent authority of ostensible authority van een non-executive director is evenmin snel sprake. Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt dan ook niet snel aangenomen wanneer een non-executive director onbevoegd namens de vennootschap handelt. Zie Rama Corp v Proved Tin & General Investments Ltd [1952] 2 QB 147. Zie voor de beantwoording van de vraag wanneer van apparent authority of ostensible authority gesproken kan worden Freeman and Lockyer v Buckhurst Park Properties (Mangal) Ltd [1964] 2 QB 480.
Davies & Worthington 2016, p. 166; en Palmer’s Company Law (Vol. 2), 8.202. Zie ook Hely-Hutchinson v Brayhead [1968] 1 QB 549, 560D en 586G, waarin de implied actual authority van een non-executive chairman in twijfel werd getrokken. Zie voor een voorbeeld waarin de vertegenwoordigingsbevoegdheid expliciet aan een non-executive director was toegekend Newcastle International Airport Ltd v Eversheds LLP [2014] 1 WLR 3073.
Zie art. 51 lid 5 jo. 55 lid 1 LVBA; en art. 2:18 lid 3 jo. 2:10 lid 1 BWC/BW-SM/BW-BES.
In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/439; Lennarts & Roest 2016, p. 121; Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Schwarz 2017b, p. 139.
Zie over het verlenen van een incidentele volmacht aan een bestuurder in algemene zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/161.
Zie art. 24.1 van de statuten van Altice Europe NV d.d. 6 november 2019; art. 16.1 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 17.1 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 19.1 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 24.2 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Dit volgt uit de interviews die in het kader van de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht zijn afgenomen, zie Boschma e.a. 2018, p. 75-76.
Zie Boschma e.a. 2018, p. 75.
Zie art. 2:130/240 lid 1 BW.
Evenzo onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/439; Bulten 2012, p. 12; en Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Een noemenswaardig verschil tussen de commissaris en de niet-uitvoerende bestuurder doet zich gevoelen bij de vertegenwoordiging van de vennootschap. Dat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, heeft tot gevolg dat de vertegenwoordigingsregeling van art. 2:130/240 BW op hem van toepassing is. Wat houdt dit in?
Het eerste lid van art. 2:130/240 BW bepaalt dat het bestuur bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Onder het ‘bestuur’ moet in een one tier board het collectief van uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders worden verstaan. Maar het bestuur is niet de enige die de vennootschap kan binden. Op grond van het tweede lid van art. 2:130/240 BW komt de vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toe aan de afzonderlijke bestuurders. De bevoegdheid om de vennootschap te binden, ligt niet alleen bij de individuele uitvoerende bestuurders. Omdat de niet-uitvoerende bestuurders de hoedanigheid van bestuurder hebben, zijn ook zij in beginsel onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd.1 In beginsel, want de statuten kunnen in een afwijkende regeling voorzien.
Commissarissen zijn niet bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen.2 Dat is logisch, want dat past niet bij hun toezichthoudende taak.3 Het vertegenwoordigen van de vennootschap verdraagt zich mijns inziens evenmin met de rol van de niet-uitvoerende bestuurder. Ik beschouw het vertegenwoordigen van de vennootschap als een uitvoerende taak bij uitstek.4 Daarin sta ik niet alleen. Ook in Engeland en Caribisch-Nederland is dit de heersende opvatting.
In Engeland zijn de gezamenlijke executives en non-executives bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid rust daar net als in Nederland op de board of directors.5 De board kan zijn actual authority om de vennootschap aan derden te binden aan individuele bestuurders delegeren. Dat kan expliciet geschieden, maar vereist is dat niet.6 Een managing director bijvoorbeeld, wordt geacht bevoegd te zijn de vennootschap binnen de uitoefening van zijn taak aan derden te binden, ook als de board deze bevoegdheid niet expliciet aan hem heeft gedelegeerd. Hij heeft een implied actual authority vanwege de functie die hij vervult.7 De gedachte is dat een managing director alle bevoegdheden heeft die nodig zijn voor een behoorlijke vervulling van zijn taak.8 Een daarvan is de bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen.9 Vertegenwoordigingsbevoegdheid past niet bij de functie die de non-executive director vervult.10 Hij heeft dan ook geen actual authority om de vennootschap aan derden te binden, tenzij de board hem die bevoegdheid expliciet heeft toegekend.11
Op dit punt lopen het Nederlandse recht en het Engelse recht dus uiteen. In Engeland is het uitgangspunt dat een individuele non-executive director niet vertegenwoordigingsbevoegd is, tenzij hem die bevoegdheid expliciet is toegekend. In Nederland is een individuele niet-uitvoerende bestuurder juist vertegenwoordigingsbevoegd, tenzij hem die bevoegdheid expliciet is ontnomen. De Engelse variant verdient mijns inziens de voorkeur. Een niet-uitvoerend bestuurder heeft geen vertegenwoordigingsbevoegdheid nodig voor het vervullen van zijn taken. Ook op Aruba, Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden wordt deze opvatting gehuldigd. Daar rust de vertegenwoordigingsbevoegdheid louter op (de leden van) het uitvoerend bestuur.12
Het ligt tegen deze achtergrond voor de hand de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de individuele niet-uitvoerende bestuurders statutair uit te sluiten.13 Om de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de niet-uitvoerende bestuurders tegen derden te kunnen inroepen, is voorts inschrijving in het handelsregister nodig.14 Als zich een geval voordoet waarin het toch wenselijk is dat de niet-uitvoerende bestuurder de vennootschap vertegenwoordigt, kan hem een incidentele volmacht worden verleend.15
De individuele vertegenwoordigingsbevoegdheid van de niet-uitvoerende bestuurders wordt doorgaans ‘weggeschreven’ in de praktijk. Althans, bij beursvennootschappen.16 Vermeldenswaardig is dat de niet-uitvoerende voorzitters van OCI NV en Prosus NV wel vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Een mogelijke verklaring is dat de voorzitter namens de vennootschap belangrijke contracten moet ondertekenen.17 Het bestuur had er in dat geval ook voor kunnen kiezen de voorzitter steeds een incidentele volmacht te verlenen.
Bij niet-beursvennootschappen wordt nog wel eens vergeten de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de niet-uitvoerende bestuurders statutair uit te sluiten. Uit het onderzoek naar de werking van de Wet bestuur en toezicht blijkt dat de niet-uitvoerende bestuurders van zeven vennootschappen onbedoeld bevoegd zijn de vennootschap te vertegenwoordigen.18
Het ontnemen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de individuele nietuitvoerende bestuurders laat de dwingendrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van het gehele bestuur onverlet.19 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurders de vennootschap steeds tezamen met de uitvoerende bestuurders kunnen binden.20