Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.3.2.4
3.3.3.2.4 Differentiatie beschermingsniveau art. 6 EVRM
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS488210:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Barkhuysen en Van Emmerik 2009 p. 30.
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris); AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. (m.nt. Den Houdijker), § 43.
Deze differentiatie in het niveau van rechtsbescherming is niet beperkt tot belastingzaken. Het Hof geeft althans als voorbeelden van andere terreinen die niet tot het klassieke strafrecht behoren: bestuurlijke (verkeers)boetes, het penitentiair recht, het douanerecht en het mededingingsrecht.
Zie § 12.3 hierna.
In de meer genoemde zaak Jussila is de samenloop met de belastingaanslag voor het EHRM aanleiding om art. 6 in de onderwerpelijke boetezaak minder streng toe te passen. Onder verwijzing naar de zaken Bendenoun en Janosevic, bevestigt het in deze zaak dat er in criminal charge-zaken kan worden gedifferentieerd in het gewenste niveau van rechtsbescherming, al naar gelang de kwestie die aan de orde is.1 De procedurele rechten van art. 6 zijn niet absoluut, terwijl geschillen over belastingverhogingen volgens het Hof niet behoren tot de ‘hard core of criminal law’.2 Dit laat de verdragsstaten de ruimte om niet alle waarborgen in art. 6 onverkort in belastingzaken toe te passen.3 Anders gezegd: art. 6 EVRM is in – aan strafvervolgingen analoge – (boete)procedures wel van toepassing, maar welke deelrechten daarbij gelden en in welke mate dat is, is afhankelijk van verschillende factoren. Zo kan het zijn dat in een fiscale boeteprocedure de noodzaak voor ‘oral argument’ (en daarmee het recht daarop), niet even sterk is als bij een ‘hard core’ strafvervolging.4
Hier lijkt zich toch enige spanning voor te doen met ’s Hofs opvatting dat de aard (of ernst) van het strafachtige feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd, op zichzelf niet van belang is voor de toepasselijkheid van het in art. 6 EVRM vastgelegde recht op een behoorlijk strafproces.5 Althans, wanneer ervan uit wordt gegaan dat lichte overtredingen minder zwaar worden bestraft dan zwaardere overtredingen.