Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.5:10.4.7.5 Het vervreemdingsbegrip
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.5
10.4.7.5 Het vervreemdingsbegrip
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491635:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De belastingplichtige kan zich daarnaast op het standpunt stellen dat het onzakelijkheidsvermoeden conflicteert met het EU-recht. Zie onderdeel 10.4.7.13.
Zie hierover ook bijvoorbeeld Bouwman & Boer 2019, onderdeel 7B.2.1, Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 4.9.4.5, p. 164-165 en Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.4, p. 39.
Resolutie BNB 1994/76, standaardvoorwaarde 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onzakelijkheidsvermoeden grijpt aan bij een vervreemding van aandelen. Los van de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van de meervoudsvorm ‘aandelen’ worden geen eisen gesteld aan de grootte van het belang dat wordt vervreemd. Een overdracht van een paar aandelen zorgt er dus al voor dat het onzakelijkheidsvermoeden wordt geactiveerd. Voor de belastingplichtige(n) resteert dan nog slechts de tegenbewijsmogelijkheid.1 Tijdens de parlementaire behandeling van de huidige antimisbruikbepaling is niet nader toegelicht wat exact moet worden verstaan onder een vervreemding. Vóór 2001 was aan de splitsingsfaciliteit in de vennootschapsbelasting een zakelijkheidseis verbonden.2 Ook toen gold een bewijsvermoeden op grond waarvan zakelijke overwegingen in bepaalde gevallen werden geacht te ontbreken bij een vervreemding binnen drie jaar na de splitsing. Uit de bijbehorende wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat een emissie van aandelen door de gesplitste rechtspersoon en/of de verkrijger(s), waardoor verwatering optreedt, niet kwalificeert als een vervreemding in de zin van het onzakelijkheidsvermoeden. Een vervreemding kan wel aanwezig zijn in het geval van overlijden, faillissement en echtscheiding, maar de belastingplichtige kan het onzakelijkheidsvermoeden dan doorgaans ontzenuwen door aanvullende informatie te verschaffen.3 Verder is in die parlementaire stukken opgemerkt dat voor de uitleg van het vervreemdingsbegrip werd aangesloten bij de betekenis van het begrip vervreemden in de toenmalige bedrijfsfusieregeling van art. 14 Wet VPB 1969.4 Uit de wetsgeschiedenis van laatstgenoemde bepaling volgt dat de term vervreemding niet alleen de overdracht van aandelen onder bijzondere titel omvat, maar ook de verkoop van claims en het toekennen van koopopties.5 Steun voor dit ruime vervreemdingsbegrip kan ook in de tekst van het huidige onzakelijkheidsvermoeden worden gevonden. Er is namelijk gebruikgemaakt van de woorden geheel of ten dele.6 In zijn hoedanigheid van wetsuitvoerder was de staatssecretaris van oordeel dat ook het inkopen van eigen aandelen en het geheel of gedeeltelijk terugbetalen van gestort aandelenkapitaal was te rangschikken onder het vervreemdingsbegrip van het voormalige art. 14, lid 1, Wet VPB 1969.7 Dit alles impliceert een ruim vervreemdingsbegrip.