Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.3.3
6.4.3.3 Voorwaardelijk opzet
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940302:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 oktober 1991, BNB 1991/323.
HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.3.3. Zie nader Broekhuijsen & Lubbers 2014.
HR 30 september 2011, BNB 2012/13.
HR 31 januari 2003, BNB 2003/124. Vgl. voor het strafrecht voorts HR 15 oktober 1996 (strafkamer), NJ 1997, 199 (Porsche-arrest), HR 25 maart 2003 (strafkamer), NJ 2003, 552 (HIV-arrest) en HR 20 februari 2007 (strafkamer), NJ 2007, 13 (eveneens HIV-arrest). De Hoge Raad heeft met betrekking tot de vergrijpboete van art. 67d AWR een beroep op de wetsgeschiedenis in dit verband verworpen. Hoewel de wetgever vooral heeft gedacht aan gevallen van (boos) opzet, fraude of zwendel, geeft de wettekst de doorslag en dus omvat ook het opzet van art. 67d AWR voorwaardelijk opzet (zie HR 22 juni 2007, BNB 2007/292, V-N 2007/30.6, NTFR 2007/1129, r.o. 3.2.2, in samenhang met r.o. 6 van het Hof).
HR 2 oktober 2020, V-N 2020/50.11, r.o. 3.2.3, HR 14 februari 2020, V-N 2020/10.4, BNB 2020/58, r.o. 3.3.1, HR 3 december 2010, V-N 2010/63.9, BNB 2011/59, NTFR 2010/2830, r.o. 3.6.2, HR 29 februari 2008, V-N 2008/12.10, BNB 2008/156, NTFR 2008/441, r.o. 3.7.2. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2019, V-N 2020/3.1.5, r.o. 4.28 voor een fraai voorbeeld.
Zie Kamerstukken II 1997/98, 24 800, nr. 7, p. 2 e.v., alwaar gewezen wordt op HR 2 oktober 1991, BNB 1991/323.
Dit volgt uit HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.7 (het standaardarrest over het pleitbaar standpunt): er kan geen sprake zijn van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans als (al dan niet achteraf) blijkt, dat die kans helemaal niet ‘aanmerkelijk’ was. Zie daarover nader paragraaf 9.4.2.
Uit het strafrecht is ook de notie van voorwaardelijk opzet overgenomen. Opzet als element van de delictsomschrijving van vergrijpboetes omvat aldus tevens voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake wanneer de belastingplichtige bewust (wetens) de aanmerkelijke kans op een fiscale fout aanvaardt en – door toch door te zetten – die kans bovendien op de koop toe neemt (willens). Ook kwam vooral in wat oudere jurisprudentie wel de formulering voor dat de belastingplichtige willens en wetens het ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen risico’ had aanvaard dat (bijvoorbeeld) te weinig belasting zou worden betaald.1 Waar het om gaat is dat ook voor voorwaardelijk opzet vereist is dat zowel het wetens- als het willens-element aanwezig zijn.2
Het wetens-element houdt in dat er daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van de bewustheid van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven.3 Het willens-element betekent dat die wetenschap (van de aanmerkelijk kans op een fout) de belastingplichtige er niet van heeft weerhouden om tóch verkeerd te handelen, waarmee hij aldus de kans dat de fout zich ook daadwerkelijk manifesteert, heeft aanvaard.4 Nadrukkelijk is de wetenschap alleen niet voldoende: de boeteling moet de aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard (‘op de koop toe hebben genomen’).5 Evenmin is de enkele omstandigheid dat de belastingplichtige het risico heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden voldaan, voldoende voor voorwaardelijk opzet.6 Ten slotte moet de aanmerkelijke kans in objectieve zin aanwezig zijn (geweest).7