Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.4.1
7.4.1 Algemeen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507342:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor toezeggingen Menu 1994, p. 289.
Zie bijvoorbeeld de schadeposten die aan de orde zijn in Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716, r.o. 4.12 e.v. (Principebesluit Brummen) en Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.11 e.v. (Principebesluit Zwijndrecht).
Ander nadeel komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft (artikel 6:95 BW). Zie bijvoorbeeld artikel 6:106 BW. Nu moeilijk voorstelbaar is dat immateriële schade wordt geleden door de vormen van onjuiste informatieverstrekking waarover dit boek gaat, wordt in deze paragraaf de nadruk gelegd op de vergoeding van vermogensschade.
Aldus HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:484, r.o. 3.4.2 (Hanzevast/G4) onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 339.
Lindenbergh 2014, p. 10.
Bloembergen 1965, p. 13-14 en p. 17-18.
HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 3.3 (Rijnstate/R.) en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208, NJ 2017/134 m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.3.3 (New India).
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830, r.o. 3.5 (Griffioen/De Groot).
Bloembergen 1965, p. 14-15.
Met het begrip ‘schade’ wordt gedoeld op het feitelijk nadeel dat uit de onrechtmatige daad voortvloeit.1 Het is dan ook moeilijk om algemene uitspraken te doen over de schade(posten) die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen bij onjuiste informatieverstrekking.2 Deze moeilijkheid houdt niet alleen verband met het oneindige aantal feitelijke en juridische constellaties waarop de informatie betrekking kan hebben, maar ook met het feit dat onrechtmatige informatieverstrekking op zichzelf geen schade veroorzaakt. Schade ontstaat pas door het gedrag van de burger die zijn handelen heeft afgestemd op de informatie (paragraaf 7.2.3.1), en dat handelen kan, afhankelijk van de aard van de informatie, op zijn beurt uiteenlopende vormen van schade veroorzaken.3 Niettemin worden hierna enkele algemene opmerkingen gemaakt over schadesoorten en -posten die voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen.
Met de verplichting van de overheid om de schade te vergoeden die wordt geleden als gevolg van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 lid 1 BW) correspondeert de aanspraak van de burger op vergoeding van vermogensschade en ander nadeel (artikel 6:95 BW).4 Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst (artikel 6:96 lid 1 BW). De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). Dit laatste komt erop neer dat de rechter bij de begroting van de schade, en ook bij de keuze op welke wijze de begroting moet plaatsvinden, een grote mate van vrijheid heeft.5
Het doel van schadevergoeding is om nadelige wijzigingen in de positie van de gelaedeerde, die het gevolg zijn van een normschending, ongedaan te maken.6 De omvang van deze nadelige wijziging bestaat in het op geld te waarderen verschil tussen de hypothetische situatie zonder schadevoorval, en de daadwerkelijke positie waarin de benadeelde verkeert als gevolg van het schadevoorval. Zoals ook in het kader van het causaal verband (paragraaf 7.2.1) dient een causale vergelijking te worden gemaakt. De schade wordt begroot door een waardering van de achteruitgang die de benadeelde door het schadevoorval heeft ondervonden.7 De standaardoverweging luidt als volgt:8
‘Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval.’
Dit uitgangspunt brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.9 Uit deze vergelijkende maatstaf blijkt dat schade een ‘causaal begrip’ is, zoals Bloembergen reeds in 1965 schreef:10
‘Schade is een causaal begrip. Daarmee bedoel ik, dat de schade niet te omschrijven is zonder uitdrukkelijk of stilzwijgend in de omschrijving op te nemen, dat zij door een bepaalde gebeurtenis veroorzaakt is. Schade is altijd het gevolg van een zekere gebeurtenis; het is een – nadelige – verandering, die er zonder invloed van die gebeurtenis niet zou zijn geweest. (…) Het is vooral goed zich dit causale karakter van het schadebegrip voor ogen te houden, als er naast de onrechtmatige daad nog een andere schadetoebrengende gebeurtenis in het spel is. Men kan dan vaak tweeërlei redeneermethode volgen. In de eerste plaats kan men als uitgangspunt nemen, dat er schade is geleden en zich vervolgens afvragen, wat nu de oorzaak van de schade is: de onrechtmatige daad of de andere gebeurtenis. Men kan echter ook vragen: is er wel schade geleden, want zou precies dezelfde situatie niet zonder de onrechtmatige daad ook zijn ontstaan?’
Tegen deze achtergrond kan het volgende worden gezegd over de schade die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen in zaken van onjuiste informatieverstrekking.