Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.5.2
2.5.2 Verdelingsmechanismen: de transportgilden (15e-19e eeuw)
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288496:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Boer 1917, p. 8.
Bos 1998a, p. 111-113, 127-129.
Bos 1998a, p. 127-129.
Lups 2003, p. 59-65.
Teychiné Stakenburg1984, p. 19-24. Delfshaven: in de ‘smakbak’ werden, via een trechter die bovenop de bak was geplaatst, voor iedereen zichtbaar twee grote dobbelstenen gegooid. De smakbak was 1 meter lang en 60 cm breed. Wie de hoogste ogen had bij de smak, won het werk. Er werd verdeeld tot er een volledige ploeg van vijf man was samengesteld. Voor de hele vracht werd een prijs afgesproken, die dan onderling werd verdeeld (www.365dagenproject.nl/2018/06/02/ zakkendragershuisje- delfshaven-5-305-365/).
Bos 1998a, p. 112.
Wiskerke 1938, p. 213.
Bos 1998b, p. 128-129.
Op zijn minst sinds 1461 kende Amsterdam dragersgilden, waaronder die van de turf-, bier- en waagdragers, die bestonden uit een gelimiteerd aantal door de stad toegelaten dragers. Niemand kon tot het gilde worden toegelaten zonder voorafgaande goedkeuring van het stadsbestuur. Omdat de dragers tevens waren belast met de controle op de betaling van de stedelijke accijns, legden zij sinds 1564 bij hun aanstelling een eed af.1 Bij de stedelijke Waag zagen zij toe op het wegen van de te transporteren bulkgoederen.
In 1619 werd op initiatief van de Amsterdamse overheid een apart turfsjouwersgilde opgericht. Het omvatte zevenhonderd door de stad aangestelde werkers, die de per schip naar de stad vervoerde turf in manden deden en vervoerden naar de poorters en naar de brouwerijen, suikerbakkerijen en andere bedrijven die brandstof nodig hadden. Sinds 1698 werden de zevenhonderd gildeleden aangevuld met een aanzienlijk aantal ‘noodhulpen’ (flexwerkers).2 Doordat het turfsteken een seizoensgebonden activiteit was, varieerde de aanvoer van turf en dus ook het werk voor de turfdragers. Vooral in de drukke periodes werden ook de noodhulpen ingeschakeld.
Verdeling van het aangeboden werk had plaats doordat men ‘op de pen’ werkte, via een techniek die werken bij toerbeurt garandeerde. Op het luiden van de turfklok verzamelden turfdragers en opdrachtgevers zich bij het kantoor op de turfmarkt, waar de opzichters van het gilde (de ‘pennevaders’) erop toezagen dat op een vaste lijst met turfdragers op volgorde een pennetje werd gestoken ter verdeling van het opdrachtwerk. Verscheen de turfdrager niet op tijd, dan ging zijn beurt voorbij en moest hij een boete betalen aan het gilde.
De ‘noodhulpen’ vormden een reservoir van arbeidskrachten die als een soort tweederangs turfdragers konden worden ingeschakeld als er te veel werk was voor de gildebroeders of als er door ziekte van een gildebroeder behoefte was aan een invaller.3 Een arbeidsongeschikte turfdrager kon een noodhulp ‘op zijn pen’ laten werken; die verving hem en moest dan een deel van zijn inkomsten afstaan aan de oude of zieke turfdrager. De verdelingstechniek werd op die manier ook indirect ingezet voor wat we nu ‘sociale doeleinden’ noemen (inkomensvoorziening van arbeidsongeschikte broeders).
Dat sociale element speelde in het begin van de 17e eeuw in Amsterdam ook een rol bij de vorming van ‘vemen’, die werd bevorderd doordat kooplui de voorkeur gaven aan vaste en bekende ploegen van dragers en dus wél belang hadden bij differentiatie tussen dragers. Dragers van een veem legden bij notarieel contract gezamenlijk hun belofte vast hard te werken en hun inkomsten collectief te delen. Die afspraak gold ook ingeval een vennoot arbeidsongeschikt werd: dan behield hij zijn aanspraak op een gelijk aandeel in de inkomsten ‘alsof hij zelf had meegewerkt’, tenzij de arbeidsongeschiktheid het gevolg was van dronkenschap of vechtpartijen. Termen als ‘vennetscap’ en ‘veynoot’ (veemgenoot) werden oorspronkelijk breder gebruikt voor coöperaties maar geleidelijk aan werd de term ‘veem’ uitsluitend voor coöperaties van waagdragers gebruikt.4 De vemen onderscheidden zich door het type hoofddeksel dat zij droegen (vgl. het nog bestaande ‘Blauwhoedenveem’).
De zakkendragersgilden in (onder meer) Rotterdam, Delfshaven, Maassluis en Schiedam, en ook de bierdragers in Amsterdam hanteerden een andere neutrale, objectieve procedure voor de toedeling van werk: via het toeval. Ook in deze steden moest het voorhanden werk bij het gildehuis worden aangemeld. In Maassluis en Schiedam werd buiten de bel geluid en werd binnen een zandloper omgedraaid, die zeven minuten had om leeg te lopen. Wie binnen die zeven minuten binnen was, dong mee naar het werk. Omdat er vaak meer dragers dan klussen waren, ging de toedeling van klussen via het ‘werpen’ of ‘smakken’: zakkendragers wierpen twee dobbelstenen door de koperen trechter van een bak. Dit werd ‘smakken’ genoemd vanwege het lawaai dat het gooien veroorzaakte. Via de koperen trechter kwamen de dobbelstenen terecht in de smakbak. Wie de hoogste ogen gooide, kreeg (een aandeel in) de klus toebedeeld.5 Zakkendragers mochten niet selectief zijn in hun participatie in het ‘smakken’ (bijvoorbeeld als zij de aangeboden klus te zwaar vonden), ze waren verplicht ‘na[ar] alle werk, dat voorstaat en waarover geluijd is’ te ‘smakken’.
Toen in het derde kwart van de 18e eeuw de handel terugliep en de gildeleden moeite kregen in hun bestaan te voorzien, kwam er kritiek op het dobbelen als een te willekeurig instrument.6 Bij een krap aanbod van werk gaf men de voorkeur aan verdeling ‘volgens de pen’. In een afgesloten, getralied kastje hingen de namen van alle zakkendragers, en de hoofdlieden van het gilde trokken elke dag de pen uit van wie aan de beurt was. Wie bij het luiden van de klok niet aanwezig was, moest een hele ronde wachten.
Na de politieke omwentelingen aan het einde van de 18e eeuw lijkt de rol van de gilden uitgespeeld, maar de stedelijke ambachten bleven zich met de stedelijke bestuurders lange tijd verzetten tegen het streven van de staat naar afschaffing van de gilden. Koning en nationale regering bleven lang aarzelen of ze die afschaffing door moesten zetten, maar maakten een uitzondering voor de ‘werkers voor den handel’, de niet-corporatieve naam waarmee de voormalige dragersgilden inmiddels werden aangeduid. Een ministerieel voorstel daartoe werd gesteund door de Kamers van Koophandel en de Raad van State en bij KB van 14 april 1815 werden de stedelijke besturen gemachtigd de corporaties van beëdigde dragers, en hun monopolie, in ere te herstellen.7 Ook ten aanzien van de beurtschippers werd een uitzondering gemaakt. Vanwege hun functie in de openbare orde van de stad mocht onder meer het turfdragersgilde in Amsterdam voortbestaan als vereniging van ‘stads-beëdigde werkers’; pas in 1859 werd hun gesloten karakter beëindigd. Direct daarop richtten de turfdragers de beroepsvereniging ‘De Herstelling’ op, die onder meer voorzag in uitkeringen aan behoeftige leden, en die tot de jaren 1890 heeft bestaan.8