Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/2.3.4.d
2.3.4.d Instemming onder voorwaarden en herroeping van de instemming
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250291:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E.C.A. Nass 2019, p. 56-57 en Beckman – Compendium jaarrekening, § 3.8.3.5a.
Zie § 2.4, waar ik tot de conclusie kom dat aan alle voorwaarden om gebruik te maken van de jaarrekeningvrijstelling moet zijn voldaan uiterlijk op het moment dat de aandeelhouders van de 403-maatschappij de summiere jaarrekening in de zin van art. 2:403 lid 1 sub a BW vaststellen of – als de jaarrekening nog niet is vastgesteld – uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar.
E.C.A. Nass 2019, p. 64-65.
Beckman 1995a, p. 251-252 en E.C.A. Nass 2019, p. 56.
Als de moedermaatschappij alle aandelen in de 403-maatschappij houdt, zal de instemming geen probleem opleveren. Indien er echter ook andere aandeelhouders zijn, kan het anders zijn. Het is toegestaan dat een aandeelhouder voorwaarden verbindt aan zijn instemming, bijvoorbeeld dat hem ieder jaar een financieel overzicht wordt gegeven dat overeenkomstig titel 9 van Boek 2 BW is ingericht.1 Indien de aandeelhouder onder opschortende voorwaarde instemming verleent, moet mijns inziens aan deze voorwaarde zijn voldaan uiterlijk op het moment dat de summiere jaarrekening van de 403-maatschappij in de zin van art. 2:403 lid 1 sub a BW wordt vastgesteld of – als de jaarrekening nog niet is vastgesteld – uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar.2
Het staat een aandeelhouder in beginsel vrij om niet in te stemmen met de afwijking van de jaarrekeningvoorschriften door de 403-maatschappij of om een eerdere instemming te herroepen.3 Een aandeelhouder heeft een wettelijk recht op informatie en hoeft geen reden op te geven als hij daar niet van wil afwijken. Ik deel de mening van Beckman en Nass dat het onthouden of herroepen van instemming slechts onder bijzondere omstandigheden op grond van art. 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.4 Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat een aandeelhouder een eerder gegeven instemming herroept vlak voordat de summiere jaarrekening van de 403-maatschappij in de zin van art. 2:403 lid 1 sub a BW wordt vastgesteld of nadat hij eerder heeft verklaard de instemming niet te zullen herroepen. In een dergelijk geval is de herroeping van de instemming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, en is de aandeelhouder gebonden aan zijn eerdere instemming.