Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.5.3.1
3.5.3.1 Rechtszekerheid als uitgangspunt bij de verdeling van heffingsbevoegdheden
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS396459:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HvJ 3 december 1998, zaak C-381/97, VN 1999/14.25 (Belgocodex), r.o. 26 en HvJ 14 september 2006, zaak C-181/04 t/m C-183/04, VN 2006/49.19 (Elmeka), r.o. 31.
HvJ 22 februari 1984, zaak 70/83, Jur. 1984, blz. 1075 (Gerda Kloppenburg), r.o. 11.
HvJ 29 april 2004, zaak C-17/01, VN 2004/24.16 (Sudholz), r.o. 34.
HvJ 29 februari 1996, zaak C-110/94, VN 1996, blz. 1396 (INZO) en HvJ 8 juni 2000, zaak C-400/98, VN 2000/43.17 (Breitsohl).
HvJ 8 juni 2000, zaak C-396/98, VN 2000/44.21 (Schlosstrasse).
HvJ Sudholz, reeds aangehaald.
HvJ 26 april 2005, zaak C-376/02, VN 2005/23.16 (Goed Wonen II).
HvJ 27 september 2007, zaak C-409/04, VN 2007/47.19 (Teleos).
HvJ 29 april 2004, zaak C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260 (gevoegde zaken gemeente Leusden en Holin groep).
Vgl. HvJ 21 februari 2006, zaak C-255/02, BNB 2006/170 (Halifax), r.o. 72 e.v.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het daarmee vaak in één adem genoemde vertrouwensbeginsel maken deel uit van de communautaire rechtsorde. Zij moeten in acht worden genomen door de instellingen van de Unie en de lidstaten bij de uitoefening van de hun door de richtlijnen van de Unie toegekende bevoegdheden.1 Ondernemers moeten erop kunnen vertrouwen dat als zij alles hebben gedaan wat van hen redelijkerwijs mag worden gevergd (bijvoorbeeld onderzoek naar bepaalde feitelijke omstandigheden die de afnemer betreffen), zij geen naheffingsaanslag omzetbelasting krijgen opgelegd en dat de wet hen geen onduidelijke of praktisch niet haalbare verplichtingen oplegt.
Het Unierecht dient voor de justitiabelen duidelijk en voorzienbaar te zijn.2 Zij moeten in staat zijn de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig te kennen.3 Dit betekent dat rechten en verplichtingen die een belastingplichtige ontleent aan de wet op welke wijze dan ook niet met terugwerkende kracht aan hem kunnen worden ontnomen. Zo oordeelde het Hof van Justitie bijvoorbeeld dat aftrek van btw op het moment dat de eerste investeringshandelingen worden gedaan, niet kan worden teruggenomen door latere feiten, omstandigheden of gebeurtenissen waaruit blijkt dat geen sprake is van belastingplicht.4 Ook een recht op aftrek van voorbelasting dat is ontstaan vanwege het voornemen een pand belast te gaan verhuren, kan niet met terugwerkende kracht worden ontnomen bij een wetswijziging tussen het tijdstip waarop het aftrekrecht is ontstaan en de aanvang van de huur.5 Ook een inwerkingtreding van een regeling voor zijn afkondiging is op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet toegestaan. Dit is echter anders indien het voor het doel van de regeling noodzakelijk is dat hij voor zijn afkondiging in werking treedt en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen,6 bijvoorbeeld doordat zij reeds van de voorgenomen wijziging op de hoogte waren.7 Ten slotte kan een belastingplichtige die in overeenstemming met de door een lidstaat gestelde voorwaarden, waaronder met name het aanleveren van bepaalde documentatie, een vrijstelling voor intracommunautaire leveringen heeft toegepast, niet achteraf alsnog met btw-heffing over deze leveringen worden geconfronteerd.8 Het rechtszekerheidsbeginsel staat echter niet in de weg aan een wetswijziging die ertoe leidt dat als gevolg van het feit dat prestaties die voorheen belast waren nu zijn vrijgesteld herzienings-btw moet worden terugbetaald aan de belastingdienst.9 In geval van misbruik van recht of fraude wordt het rechtszekerheidsbeginsel opzij gezet.10
Een regeling die de heffingsbevoegdheden tussen lidstaten en lidstaten en derde landen verdeelt en ook de uitleg van die regeling, dient geen elementen te bevatten die het voor de belastingplichtige onmogelijk maakt om de omvang van zijn verplichtingen te kennen. Als zodanig is een regeling die nauwkeurig aansluit bij heffing in het land waar het goed daadwerkelijk wordt verbruikt vanuit het oogpunt van rechtszekerheid ook niet geschikt. Allereerst is het voor de ondernemer moeilijk om na te gaan waar het verbruik plaatsvindt. In de tweede plaats kan de plaats waar het verbruik plaatsvindt ook wijzigen, vooral bij goederen en diensten die gedurende langere tijd worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan een consument die op een gegeven moment besluit te verhuizen. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid kan wel worden aangesloten bij heffing in het land van verbruik, maar er zal dan moeten worden teruggegrepen naar een meer vaststaand aanknopingspunt voor heffing, zoals de woonplaats van de consument. De woonplaats als aanknopingspunt dient dan wel te worden gecombineerd met regels die er voor zorgen dat goederen en diensten die bestemd zijn om onmiddellijk ter plaatse te worden gebruikt, zoals consumpties in de horeca en hotelovernachtingen, worden belast in het land waar zij aan de consument worden aangeboden in plaats van in het land waar de consument woont. Ook een fictie op basis waarvan kan worden aangenomen in welk land het verbruik plaatsvindt, zou gehanteerd kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is de regeling voor de korte verhuur van vervoermiddelen die aansluit bij de plaats waar het vervoermiddel aan de afnemer ter beschikking wordt gesteld, art. 56, eerste lid, btw-richtlijn (tekst vanaf 2010).