Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.6.2
8.6.2 Combinatie van sancties
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268384:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 5:44 Awb, art. 68 Sr, art. 243, tweede lid Sv, art. 4 van het Zevende Protocol van het EVRM en art. 50 van het Europees Handvest. Zie ook Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 137-139.
Uiteraard is eveneens relevant of sprake is van hetzelfde feit en van dezelfde persoon. Maakt de toezichthouder gebruik van de mogelijkheid om rechtstreeks maatregelen op te leggen aan bepaalde natuurlijke personen, bijvoorbeeld door het opleggen van een persoonlijke boete of een functieverbod (zie par. 8.3.2), en wordt deze persoon eveneens tuchtrechtelijk aangesproken, dan is uiteraard sprake van “dezelfde persoon”. Bij overtreding van de geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten richten de (handhavings-)maatregelen van de toezichthouder zich echter jegens de betrokken bank, zij het dat de te toetsen persoon zowel “onderwerp” is van onderzoek als belanghebbende bij het te nemen besluit.
Kamerstukken II, 2005/06, 29 708, nr. 41, p. 62 en 63 en Kamerstukken II, 2006/07, 31 086, nr. 3, p. 73, bevestigd in onder meer in de uitspraak van het CBb van 7 april 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ0538. Zie voor wat betreft de aanwijzing ook L.J.J. Rogier, ‘Het bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium in de Wet financieel toezicht (Wft), in het bijzonder de aanwijzing en de last onder dwangsom’, FR 2006, afl. 3, p. 47 en bijbehorend naschrift.
Kamerstukken II 2013/14, 33 849, nr. 3, p. 33. Zie voor wat betreft de last onder dwangsom ook L.J.J. Rogier, ‘Het bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium in de Wet financieel toezicht (Wft), in het bijzonder de aanwijzing en de last onder dwangsom’, FR 2006, afl. 3, p. 47 en bijbehorend naschrift.
De Europese rechtspraak lijkt de laatste jaren op dit punt overigens wat te zijn verruimd. Een combinatie van strafrechtelijke en punitief-bestuursrechtelijke procedures lijkt, onder bepaalde voorwaarden, toch door de beugel te kunnen. Zie hieronder onder meer J.H. Crijns & M.L. van Emmerik, ‘Ne bis in idem revisited. Over de lotgevallen van een beginsel’, TBS&H 2018, afl. 2, p. 78 82 met bespreking van EHRM 15 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 (A. en B. te Noorwegen) en vier uitspraken van het HvJ EU 20 maart 2018 (C-524/15, ECLI:EU:C:2018:197, Menci; C-537/16, ECLI:EU:C:2018:193, Garlsson Real Estate e.a.; en twee gevoegde zaken C-596/16 en C-597/16, ECLI:EU:C:2018:192, Di Puma en Zecco). Deze rechtspraak laat de Nederlandse grenzen aan een dergelijke samenloop, zoals neergelegd in art. 5:44 Awb en art. 243, tweede lid, Sv overigens onverlet.
F.P. Ölçer, ‘Eerlijk proces en tuchtrechtelijke procedures’, AA 2016, afl. 7/8, p. 515 e.v.
P. Laaper & D. Busch, ‘The Dutch Banker’s Oath and the Dutch Banking Disciplinary Committee’, in D. Busch, G. Ferrarini, G. van Solinge (red.), Governance of Financial Institutions, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 452 e.v. Zie voor de criteria EHRM 8 juni 1976, r.o. 82 (Engel), en EHRM 21 februari 1984, r.o. 50 (Öztürk). De criteria bestaan uit i) kwalificatie van de procedure onder nationaal recht, ii) aard van de overtreding en iii) de aard en zwaarte van de straf.
EHRM 5 april 2016, 33060/10 (Blum vs. Oostenrijk).
EHRM 19 februari 2013, 47195/06 (Müller-Hartburg vs Oostenrijk).
Zoals we hebben gezien zijn er situaties mogelijk waarin een en dezelfde gedraging van een bepaalde persoon kan leiden tot zowel een ingrijpen door de tuchtrechter als door de toezichthouder. In die gevallen rijst de vraag of het mogelijk is dat de tuchtrechtelijke maatregelen met de bestuursrechtelijke (handhavings-)besluiten worden gecombineerd.
Naar alle waarschijnlijkheid zal dit, hoewel wellicht niet altijd wenselijk, zijn toegestaan. Van belang zijn in dit verband het ne bis in idem- beginsel, waaruit volgt dat iemand voor een overtreding niet tweemaal een strafrechtelijke sanctie mag worden opgelegd, en het beginsel dat moet worden voorkomen dat iemand tweemaal in een strafprocedure wordt betrokken voor dezelfde overtreding (nemo debet bis vexari).1 Relevant is dus, in de eerste plaats, wanneer sprake is van een strafsanctie en/of een strafprocedure.2 In het bestuursrecht worden noch de aanwijzing, noch de openbare waarschuwing als strafsancties beschouwd. Hoewel de gevolgen van deze maatregelen door betrokkenen zonder meer als ingrijpend kunnen worden ervaren, zijn deze maatregelen niet gericht op bestraffing (leedtoevoeging) maar bedoeld om overtredingen van de geldende wet- en regelgeving te beëindigen. De maatregelen hebben veeleer een preventief, of herstellend karakter.3 Dit geldt ook voor de last onder dwangsom en het functieverbod.4 De bestuurlijke boete kwalificeert echter wel als een punitieve (straf-)sanctie. Zou het tuchtrecht als een “strafprocedure” moeten worden aangemerkt, dan zal een tuchtrechtelijke maatregel in beginsel niet met een persoonlijke boete kunnen worden gecombineerd.5 Dat dit het geval is lijkt, vooralsnog, echter niet aannemelijk.
Zo concludeert Ölçer dat het EHRM ‘beroepsmatige tuchtrechtelijke procedures’ niet als criminal charge beschouwt en tuchtrechtelijke sancties, waaronder de tuchtrechtelijke boete, (nog) niet als punitieve sanctie heeft aangemerkt.6 Zie voorts Laaper en Busch, die net als Ölçer wijzen op de door het Europees Hof van de Rechten van de Mens gehanteerde “Engel/ Öztürk-criteria”.7 In het licht van deze criteria is relevant dat het bancair tuchtrecht in het Nederlandse rechtssysteem niet als “strafrecht” kwalificeert. Het bancair tuchtrecht heeft voorts slechts betrekking op een specifieke (beroeps-)groep, de procedure wordt niet door een publiek lichaam uitgevoerd maar door een privaatrechtelijke stichting, die niet beschikt over wettelijke handhavingsbevoegdheden, en het doel van het tuchtrecht is niet gelegen in leedtoevoeging maar in het bewaken van de kwaliteit en integriteit van de bankmedewerkers en het herwinnen van het maatschappelijk vertrouwen in de sector. Wat betreft de zwaarte van de sancties, waaronder de boete van maximaal 25.000 euro en het tuchtrechtelijk beroepsverbod, geldt dat het EHRM in eerdere kwesties tuchtrechtelijke boetes van maximaal 45.000 euro8 en 36.000 euro9 niet van zodanig zwaar gewicht achtte dat hierdoor sprake zou zijn van een strafsanctie (in tegenstelling tot vrijheidsbenemende sancties). In de zaak Müller-Hartburg vs Oostenrijk, die betrekking had op het Oostenrijkse advocatentuchtrecht, werd schrapping van het tableau evenmin als een strafsanctie aangemerkt. Het Hof overwoog dat weliswaar sprake was van een “severe sanction” omdat het recht van betrokkene om zijn beroep uit te oefenen wordt geraakt, maar nam daarbij in aanmerking dat de maatregel is bedoeld om het vertrouwen in de beroepsgroep te herstellen door te laten zien dat tegen ernstige overtredingen wordt opgetreden door de advocaat te verbieden zijn beroep uit te oefenen. Een vergelijkbare redenering zou gevolgd kunnen worden bij de beoordeling van het tuchtrechtelijk beroepsverbod in de Nederlandse bancaire sector.
Hieruit lijkt vooralsnog de conclusie te kunnen worden getrokken dat de combinatie van een persoonlijke boete en een tuchtrechtelijke veroordeling juridisch is toegestaan, en dat dit ook geldt voor de overige combinaties van tuchtrechtelijke en bestuurlijke sancties.