Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/2.1
2.1 Inleiding
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583428:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid over het beginsel ongelijkheidscompensatie: Diebels 2014, p. 140 e.v., zie verder onder meer: Rood 1997, p. 26; De Wolff 1999, p. 13; Boot 2004, p. 7; Roozendaal 2011, p. 374; Zwemmer 2012.
Aldus Jacobs 1997, p. 72. Zie tevens: Baris 2009, p. 3; Boot 2004, p. 7. Zie over de economische doelstellingen van het sociaal recht onder meer: Zekić 2014, p. 73-82.
Zekić, ArA 2019/2. Zekić erkent overigens dat dit doel sterk verbonden is het met het beginsel ongelijkheidscompensatie. Zij meent dat het separaat benoemen van redistributie als voordeel zou hebben dat bij hervormingen steeds gekeken wordt naar hoe de regulering van de arbeidsmarkt in herverdelende zin uitwerkt. Daarbij zou steeds de vraag kunnen worden gesteld: wie profiteert en wie wordt verwaarloosd? Zie tevens: Davidov 2016.
Van der Heijden & Noordam 2001, p. 74. Diebels noemt sociale rechtvaardigheid als ‘basiswaarde’ van het sociaal recht, zie: Diebels 2014, p. 123.
Fase, SMA 2001/5.
Van der Heijden & Noordam 2001, p. 74-95; Diebels 2014, p. 123.
Zoals in het vorige hoofdstuk is toegelicht, beoogt dit onderzoek in kaart te brengen op welke wijze de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie tot uitdrukking komen bij de beantwoording van de kwalificatievraag. Voorop staat dat de arbeidsovereenkomst als bijzondere overeenkomst (wetssystematisch) tot het privaatrechtelijke domein behoort, dat in beginsel uitgaat van contractsvrijheid en partijautonomie. In het sociaal recht worden de contractsvrijheid en partijautonomie langs verschillende wegen ingeperkt, hetgeen voor een belangrijk deel wordt gerechtvaardigd met een beroep op het beginsel ongelijkheidscompensatie, een van de breedst gedragen grondslagen in het arbeidsrecht.1 Dit beginsel neemt tot uitgangspunt dat de werknemer als zwakkere contractspartij moet worden gecompenseerd voor de ongelijke positie die hij ten opzichte van de werkgever inneemt. In dit verband wordt ook wel gesproken van de beschermingsfunctie van het arbeidsrecht.
Dat het beginsel ongelijkheidscompensatie veelal als het belangrijkste beginsel van het arbeidsrecht wordt aangemerkt, neemt niet weg dat in het arbeidsrecht ook andere beginselen een belangrijke rol spelen. Zo komt ook betekenis toe aan de ordeningsfunctie van het arbeidsrecht, waarmee wordt bedoeld dat het arbeidsrecht er tevens toe dient de arbeidsmarkt te ordenen en te reguleren, en moet bijdragen aan een betrouwbare organisatie van de arbeidsmarkt.2 In de literatuur wordt ook redistributie genoemd als een van de functiesvan het arbeidsrecht. Dit houdt in dat het arbeidsrecht zorgt voor een herverdeling van middelen, macht en risico’s waarmee tot distributieve rechtvaardigheid wordt gekomen.3 Als meer overkoepelend beginsel – ook wel: het basisbeginsel4 – wordt voorts gewezen op sociale rechtvaardigheid, door Fase omschreven als ‘het richtsnoer’ van het sociaal recht. Het gaat hier aldus Fase om rechtvaardigheid ‘in de zin van gelijke kansen, behandeling en invloed van alle leden van de samenleving’.5 Verder worden in de sociaalrechtelijke literatuur nog talloze andere beginselen genoemd, waaronder verantwoordelijkheid, bestaanszekerheid, solidariteit, non-discriminatie en participatie.6
Hoewel uit de literatuur geen vastomlijnde ‘beginselencatalogus’ kan worden gedestilleerd, staat wel buiten kijf dat ongelijkheidscompensatie als een van de belangrijkste beginselen – zo niet: het belangrijkste beginsel – van het arbeidsrecht heeft te gelden. De werking van het beginsel ongelijkheidscompensatie is reeds zichtbaar aan de ‘toegangspoort’ van het arbeidsrecht: bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:610 BW brengt mee dat een arbeidsrelatie die zich feitelijk laat kenmerken als arbeidsovereenkomst ook juridisch als zodanig moet worden gekwalificeerd, zelfs wanneer partijen hun rechtsverhouding zelf op andere wijze (willen) kwalificeren. De mogelijkheid om arbeidsrechtelijke bescherming (al dan niet onder druk) te kunnen ‘wegcontracteren’, zou die bescherming te zeer uithollen. Een en ander brengt een belangrijke beperking van de contractsvrijheid en partijautonomie met zich: immers staat het partijen niet volledig vrij om de aard en inhoud van hun overeenkomst te bepalen.
In dit hoofdstuk worden de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie en de onderlinge verhouding tussen deze beginselen nader verkend. In paragraaf 2.2 wordt eerst uiteengezet hoe de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie in de privaatrechtelijke literatuur worden uitgelegd, en hoe deze beginselen zich tot elkaar verhouden. Vervolgens wordt in paragaaf 2.3 stilgestaan bij de beginselen bescherming en ongelijkheidscompensatie in het licht van het sociaal recht, alsmede bij de onderlinge verhouding tussen deze beginselen. In paragraaf 2.4 spitst de bespreking zich toe op de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie en wordt stilgestaan bij het spanningsveld tussen deze beginselen in het kader van de kwalificatievraag. Afsluitend volgt in paragraaf 2.5 een beschouwing van de voormelde materie, aan de hand van de eerste deelvraag in dit onderzoek: Op welke wijze worden de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in de literatuur uitgelegd, en welke betekenis wordt in de literatuur aan deze beginselen toegekend bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie?