Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/5.5.4
5.5.4 Vrijstelling en ontheffing
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365108:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Viandier 2014, nr. 1700 e.v.
Zie voor een overzicht Viandier 2014, nr. 1590 e.v.
Art. 234-7 RG. Zie hierover Viandier 2014, nr. 1596-1607 en Laprade 2009, p. 283 e.v. Uit art. 234-7, 1° volgt dat deze regel ook van toepassing is indien een samenwerkingsverband ontstaat door samenwerking met een grootaandeelhouder. Zie ook Décision AMF 205C0401 van 11 maart 2005 (Teamlog).
Laprade 2009, p. 285.
Zie hierover Laprade 2009, p. 297-298.
Décision AMF 208C0741 van 21 april 2008 (Eiffage).
Viandier 2014, nr. 1612-1613 en 1702. Opmerkelijk is ook dat het Cour d’appel hierin mee is gegaan, zie Cour d’appel de Paris 18 december 2008 (kenbaar uit Viandier 2010, nr. 1615).
De Franse verplicht bod-regeling bevat een aantal vrijstellingen van de biedplicht welke deels wettelijk verankerd zijn en deels volgen uit de handhavingspraktijk van de AMF.1 De grondslag voor de wettelijke vrijstellingen vormt art. L. 433-I, 3 CMF. Hieraan is primair uitvoering gegeven met de vrijstellingencatalogus van art. 234-9 RG. De voor acting in concert-situaties relevante vrijstellingen kwamen al in de vorige paragraaf ter sprake.
Daarnaast ontleent de AMF aan verschillende andere bepalingen een discretionaire bevoegdheid om afwijkingen van de biedplicht toe te staan.2 Specifiek in het kader van acting in concert heeft zij de bevoegdheid om ontheffing van de biedplicht te verlenen bij zeer geringe wijzigingen binnen een reeds controlerend samenwerkingsverband.3 Uit deze ontheffingsmogelijkheid volgt dat wijzigingen als zodanig in beginsel aanleiding geven tot een biedplicht (vgl. eerder § 5.5.3). Naast wijzigingen in de verdeling van het stemrecht wordt rekening gehouden met meer feitelijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het “bezit” van een bestuurszetel in de doelvennootschap.4 Daarnaast bepaalt art. 234-3, 2° RG, specifiek in het kader van indirect acting in concert, dat wil zeggen op het niveau van een (tussen)holding, dat controleverwerving door acting in concert niet tot een biedplicht leidt als een van de partijen voordien reeds de controle over de houdsteronderneming bezat en er geen significante wijziging in het machtsevenwicht is opgetreden.5
Ten slotte heeft de AMF ook enkele buitenwettelijke vrijstellingen toegestaan, waaronder dispensatie van de biedplicht wegens omstandigheden die zich voordeden nadat zij al een biedplicht had opgelegd.6 De juridische grondslag hiervan is twijfelachtig.7