Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.6.b
VI.3.6.b Een dubbele veroordeling
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373739:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 13 en 21. Volgens de toelichting gaf het geen pas dat de eisende aandeelhouder zich in een later stadium van de procedure bedacht en kon weigeren de aandelen over te nemen, omdat de prijs hoger uitviel dan hij had verwacht. De dubbele veroordeling stond ook in de weg aan het treffen van alternatieve voorzieningen door de rechter, zoals het bevel tot certificering. In de literatuur betoonden Slagter (1976), p. 118; en Lubbers (1975), p. 127, zich voorstanders van de uitbreiding van het arsenaal aan bevoegdheden van de rechter. Volgens de minister (Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 15) paste dat in het systeem van het wetsontwerp niet meer, omdat executie van het vonnis tegen de eisende aandeelhouder mogelijk werd. De overname (en betaling) werd voor hem vetplicht.
Kamerstukken 18 905, nr. 5 (VV), p. 2.
Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 2.
Zie achtereenvolgens Westbroek (1991), p. 23; Stom in Sanders/Westbroek (2005), p. 377; en Losbl. Rp. (Roest), art. 440, aant. 3.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 25.
Zie Sanders/Westbroek (2005), p. 382.
OK 20 november 1997, NJ 1998, 392 (Hooymans) en OK 28 september 2000, JOR 2000/218 (MMP/VHC).
Het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 hield er rekening mee dat de eisende aandeelhouder in een uitstotingsprocedure uiteindelijk niet bereid was om de aandelen over te nemen, bijvoorbeeld omdat de te hoge prijs hem tegen viel. De minister vond dit — wat de wetsgeschiedenis aanduidde als 'doodlopen van de procedure' — voor de gedaagde aandeelhouder niet aanvaardbaar. De aandeelhouder werd geconfronteerd met een bevel tot afgifte van zijn aandelen, maar deze werden vervolgens niet aanvaard of afgenomen.
In het wetsvoorstel werd de oplossing gevonden in de dubbele veroordeling. Het vonnis tot uitstoting kan zo niet alleen tegen de uit te stoten aandeelhouder geëxecuteerd worden, maar ook jegens de eisende aandeelhouder. De laatste moet zich alvorens de procedure te entameren, eerst bezinnen op de consequenties, waaronder het daadwerkelijk betalen en afnemen van de aandelen, zie art. 2:340 lid 2 BW.1 In het voorlopig verslag vroegen leden van de fractie van de PvdA zich af of de suggestie van het NGB niet in een betere oplossing voorzag. De eisende aandeelhouder behoudt dan een recht van terugtred, waaraan het instrument van juridische splitsing gekoppeld wordt.2 De minister antwoordde dat de oplossing in het wetsvoorstel de instemming van de adviserende instanties had. De prijsvaststelling komt voor rekening van de eisende aandeelhouder, en dat achtte ook het NGB juist. Tot slot wees de minister erop dat ons rechtsstelsel ten tijde van zowel het wetsontwerp als het voorlopig verslag (maart 1986) de juridische splitsing niet kende. Een recht van terugtred gekoppeld aan dit instrument was dus onmogelijk.3
De literatuur is verdeeld over de dubbele veroordeling. Westbroek was voorstander. Hij vond dat een terugtrekkingsmogelijkheid van de eisers in een uitstotingsprocedure de regeling op onaanvaardbare wijze zou compliceren. Storm vond de dubbele veroordeling 'curieus' en vooral bij uitstoting 'zeer onaangenaam'. Zijn oplossing lag in het vervallen van de toewijzende vordering waarbij de eiser alle kosten moet betalen. Roest dacht dat de eiser een (compenserende) tegenvordering op grond van art. 2:8 lid 1 BW tegen de uitgestoten aandeelhouder kan instellen. Het verband tussen de dubbele veroordeling en zo'n vordering ontgaat mij. Ik zie niet in wat de veroordeelde eiser kan aanvoeren over hetgeen de gedaagde aandeelhouder ten aanzien van de veroordeling tot betaling van de eisende aandeelhouder heeft misdaan en strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW oplevert.4
Bij de uittreding worden op grond van de laatste zin van art. 2:343 lid 1 BW eveneens de eiser en de gedaagde veroordeeld. De eisende aandeelhouder treedt uit en krijgt het bevel zijn aandelen te leveren, de gedaagde aandeelhouders moeten de aandelen afnemen en betalen. De eisende aandeelhouder kan zich ook in deze procedure niet bedenken indien de prijs hem tegenvalt.5
Het is onduidelijk of de dubbele veroordeling en dus het bevel aan de eisende aandeelhouders expliciet in het dictum van het vonnis moet staan. Om executie-geschillen te voorkomen, is expliciete vermelding aannemelijk.6 Een andere gedachte is deze veroordeling in de veroordeling van de gedaagde te lezen. De tekst van de wet wijst in deze richting. Art. 2:340 lid 2 BW en de laatste zin van art. 2:343 lid 1 BW vangen aan met 'Het vonnis houdt tevens een veroordeling in'. De veroordeling van de eiser is met het woord 'tevens' dus een gegeven als de gedaagde veroordeeld wordt. Een uitdrukkelijke vermelding van het bevel aan het adres van de eisende aandeelhouder is dan niet nodig. De OK lijkt in twee uitspraken de laatste opvatting te prefereren, maar de kans bestaat dat zij de veroordeling van de eiser vergeten is.7 Om onduidelijkheden en eventuele procedures over executieproblemen voor te zijn, is het volgens mij raadzaam de dubbele veroordeling expliciet in het dictum op te nemen. De aandeelhouders weten dan precies welke verplichtingen op hen rusten.