Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.4.4
6.4.4 Verloop na het entameren van een opheffinskortgeding
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495811:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bruinsma 1995, p. 20 en 26, registreerde dat 1:3 kort geding zaken voorafgaand aan de zitting werd ingetrokken.
Zie ook: Bruinsma 1995, p. 20. Hij ziet hierin een aanwijzing voor de effectiviteit van het kort geding als dreigmiddel: een zittingsdatum die naderbij komt vergroot de druk op partijen om er gezamenlijk uit te komen.
Royeren en doorhalen zijn beide termen die worden gebruikt voor de situatie dat partijen aan de rechtbank laten weten niet verder te zullen procederen.
Op grond van art. 705 Rv kan de voorzieningenrechter op vordering van elke belanghebbende een beslag opheffen. In vrijwel alle gevallen werd de vordering door de beslagen partij ingesteld.
Ten behoeve van de vergelijkbaarheid van de resultaten tussen de diverse gerechten, zijn de percentages per gerecht hier gerelateerd aan het aantal opheffingskortgedingen van het betreffende gerecht.
Van de zes gerechten uit het onderzoek naar conservatoir beslag wordt in Amsterdam verreweg het grootste aantal verloven afgegeven, gevolgd door ’s-Gravenhage, de drie kleinere gerechten tezamen en ten slotte Utrecht. Ook met betrekking tot de opheffingskortgedingen heeft Amsterdam met een aandeel van 36% in het totaal van 267 (tabel 20, bovenste regel) een aanzienlijke invloed op de kwantitatieve resultaten die hierna worden besproken. Dat aanhangig gemaakte korte gedingen niet altijd resulteren in een uitspraak van de voorzieningenrechter is een bekend fenomeen.1 ln het basisjaar 2GG6 van het onderzoek werd in iets minder dan een derde van de 267 opheffingskortgedingen (vijfenzeventig gevallen) de zaak ingetrokken voorafgaand aan de zitting, meestal omdat tussen partijen buiten de rechtszaal een regeling was getroffen.2 Ook in de situatie dat wel een zitting plaatsvond, kwamen partijen tijdens of na die zitting in vijfendertig van de 192 overgebleven gevallen alsnog tot een vergelijk en royeerden de zaak.3 Soms (binnen de bekende royementen veertien maal) werden de afspraken op verzoek van partijen door de voorzieningenrechter vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (p-v); partijen spraken daarbij vrijwel altijd af dat het beslag (nadat de overeenkomst is nagekomen) zou worden doorgehaald. Uiteindelijk kwam het in 57% van de aangebrachte opheffingskortgedingen (153 zaken), waarin door een beslagen partij of belanghebbende4 opheffing van een of meer conservatoire beslagen werd gevorderd, tot een uitspraak van de voorzieningenrechter (tabel 20, grijs gearceerde balk).
Tabel 20:Totaall aantal opheffingskortgedingen 2006 en verloop: aantallen intrekkingen, royementen, processen-verbaal en vonnissen.
2006
Amsterdam
Den Haag
Utrecht
Kleinere gerechten
Totaal
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
Opheffings kortgedingen
95
36%
73
27%
47
18%
52
19%
267
100%
Verdeling en percentages per gerecht5 en totaal:
Intrekking
27
28%
23
32%
15
32%
10
19%
75
28%
Royement
6
6%
11
15%
2
4%
2
4%
21
7%
Proces verbaal
2
2%
5
7%
5
11%
2
4%
14
5%
Onbekend
3
3%
1
1%
0
-
0
-
4
1%
Vonnis
57
61%
33
45%
25
53%
38
73%
163
57%
Totaal
95
100%
73
100%
47
100%
53
100%
267
100%
Bij de resultaten per gerecht valt op dat in ’s-Gravenhage de schikkingbereidheid van partijen hoog was: hier kwam het hoogste aantal intrekkingen voor (32%), alsook het hoogste percentage royementen en processenverbaal (22%); dit in vergelijking met de intrekkingen bij de kleinere gerechten gezamenlijk (19%) en royementen en processen-verbaal in Amsterdam en bij de kleinere gerechten (8%). Een logisch gevolg van het voorgaande wordt zichtbaar in de relatief hogere aantallen vonnissen bij de drie kleinere gerechten tezamen: 73% van de tweeënvijftig aangemelde opheffingskortgedingen en in Amsterdam 61% bij vijfennegentig aangemelde opheffingskortgedingen. Rechtbank ’s-Gravenhage sprak het laagste aantal vonnissen uit van drieëndertig (45%) van de in de Hofstad aangemelde opheffingskortgedingen (tabel 20).