Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.1
4.1 Inleiding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494889:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook J.R. Thorbecke, bew. door J.P. Duyverman, Staatsinrigting en staatsbestuur, Arnhem: Gouda Quint-D. Brouwer en zoon 1968 (uitgave van college aantekeningen van Thorbecke van omstreeks 1828), p. 51-52 over staatsinrichtingen in het algemeen: ‘Wat de regterlijke inrigting betreft, zoo is het beginsel tamelijk algemeen heerschend geworden, dat de regters, zoo onafhankelijk mogelijk moeten zijn, hetwelk in veele staten aldus wordt bereikt, dat de regters voor geheel hun leven aangesteld, en niet ontslagen kunnen worden dan op hun eigen verzoek, of bij regterlijk vonnis.’
Uit hfdst. 3 blijkt dat het EHRM het belang van functionele onafhankelijkheid benadrukt en de rechtspositionele onafhankelijkheid van minder belang acht, althans het stelt daaraan geen hoge eisen.
Daarvoor heb ik gebruik gemaakt van W.J.C. van Hasselt, Verzameling van Nederlandse staatsregelingen en grondwetten, Alphen aan den Rijn: Samson 1987. Nu biedt ook de website <www.denederlandsegrondwet.nl> een goed overzicht van de tekst van alle vroegere grondwetten.
Kortmann 2008, p. 365; Verhey 2001a, p. 27. Zie in vergelijkbare zin A.H. Korthals, ‘Het publieke vertrouwen in de rechtsstaat’, NJB 2002, p. 789: ‘De ‚'grensbewaking' tussen de uitvoerende macht en de volksvertegenwoordiging is grotendeels in handen van het ongeschreven staatsrecht en de parlementaire praktijk. Dat is niet anders in de relatie tussen de uitvoerende macht en de onafhankelijke rechterlijke macht.’
Kortmann 2008, p. 364.
In hoeverre waarborgt de Nederlandse Grondwet rechterlijke onafhankelijkheid? Een artikel dat letterlijk bepaalt dat de rechter onafhankelijk is, of moet zijn, bevat deze in elk geval niet.1 In dit hoofdstuk beantwoord ik de vraag hoe het constitutionele uitgangspunt van rechterlijke onafhankelijkheid wel in het positieve recht is gewaarborgd. Naast de Grondwet zijn ook andere wetten en regelingen hier van belang. Waar de Grondwet in verband met de rechterlijke onafhankelijkheid bepaalde basisvoorwaarden stelt aan regelgeving op het terrein van de rechterlijke organisatie, bespreek ik alleen die voorwaarden in dit hoofdstuk. Die regelgeving zelf komt aan de orde in de volgende hoofdstukken. Ook vergelijk ik waar mogelijk de betekenis van rechterlijke onafhankelijkheid in de zin van het EVRM met de betekenis van rechterlijke onafhankelijkheid, zoals die blijkt uit (interpretatie van) de Grondwet.
In dit hoofdstuk beschrijf ik eerst in het algemeen de plaats van de functie rechtspraak in de Grondwet (§ 4.2). Aangezien de grondwettelijke waarborgen van rechterlijke onafhankelijkheid slechts gelden voor de leden van ‘de rechterlijke macht’, behelst § 4.3 een uiteenzetting van dat begrip. Daarna volgt de kern van dit hoofdstuk. De bepaling die vastlegt dat leden van de rechterlijke macht voor het leven worden benoemd (art. 117 lid 1 Gw), wordt in Nederland traditioneel beschouwd als dé waarborg voor rechterlijke onafhankelijkheid.2 In het verlengde van de benoeming voor het leven zijn met name de bepalingen inzake schorsing en ontslag van rechters, alsmede het algemeen toezicht op de ambtsvervulling door rechtsprekende leden van de rechterlijke macht (art. 117 lid 3 en 116 lid 4 Gw) van belang. De rechtspositionele onafhankelijkheid heeft in Nederland altijd al centraal gestaan, dit in tegenstelling tot de waarborgen die het EHRM van belang acht voor de rechterlijke onafhankelijkheid.3 Bij bespreking van de specifieke grondwettelijke waarborgen voor rechterlijke onafhankelijkheid staan de artikelen 116 en 117 Gw derhalve voorop (§ 4.4). De Hoge Raad neemt binnen de rechterlijke macht een speciale positie in (art. 118 Gw), die wordt besproken in § 4.5. Tot slot komen enkele afzonderlijke grondwetsbepalingen met mogelijke implicaties voor de rechterlijke onafhankelijkheid aan de orde (§ 4.6). In dit hoofdstuk haal ik geregeld vroegere grondwetsartikelen aan4, om een bepaalde ontwikkeling in kaart te brengen, of om aan te tonen dat een bepaling sinds de eerste Grondwet onveranderd deel uitmaakt van het Nederlandse staatsrecht.
Voor zover de rechterlijke onafhankelijkheid niet op (internationale) wetgeving kan worden gebaseerd, daarbij valt voor Nederland met name te denken aan de functionele onafhankelijkheid, maakt zij echter altijd nog als ongeschreven grondbeginsel van ons staatsbestel deel uit van het recht.5 Ook een a-contrario redenering kan in de richting wijzen van waarborgen van rechterlijke onafhankelijkheid. Zo kan men uit het ontbreken van een (grond)wettelijk geregelde bevelsrelatie tussen de rechterlijke ambten enerzijds en de andere overheidsambten anderzijds, voor zover het de uitoefening van de functie rechtspraak betreft, afleiden dat de Nederlandse rechter ook functioneel onafhankelijk is.6