Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.2
8.4.2 Het gebruik van zekerheidscessie om toekomstige vorderingen te bezwaren
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412265:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rb ’s-Hertogenbosch 6 november 1903, W. 8042, p. 1-2.
In zijn noot bij 30 oktober 1919, NJ 1919/1156 (Pfann/Hoost). Zie: Meijers 1919, p. 159.
Hof Amsterdam 21 november NJ 1919, 1920/302 (Nederlandsche Crediet-vereeniging/ Parser q.q.).
HR 14 januari 1921, NJ 1921/313 (Parser q.q./Nederlandsche Crediet-vereeniging).
Zie voor een overzicht van verschillende auteurs en de beperkingen die zij aannamen: Wiarda 1937, p. 409.
Rb Utrecht 28 januari 1925, NJ 1926/340 (Den Bode/Spoorwegen). Zo ook Losecaat Vermeer 1928, p. 56 en Rb Roermond 9 juli 1931, NJ 1931/1513 (Van Mierlo en zn./ Thomassen en Thomassen).
Rb Amsterdam 7 december 1925, NJ 1926/593 (Bijlsma/Van Woudenberg Hamstra).
Rb Maastricht 22 januari 1931, NJ 1931/842 (Daenen/Bartels).
In de rechtspraak en literatuur werd tevens aanvaard dat een vervreemder toekomstige vorderingen (bij voorbaat) kon cederen. In een zaak uit 1903 had een zekerheidsgever al zijn bestaande en toekomstige vorderingen die hij op een bepaalde schuldenaar had, gecedeerd aan zijn schuldeiser.1 De Rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat ‘het zakelijk recht op die vorderingen van zelve ontstaat, zoodra ze zullen zijn geboren.’ Meijers constateerde in 1919 dat andere rechtbanken telkens de levering bij voorbaat van toekomstige vorderingen erkenden, voor zover de vorderingen voortvloeiden uit een reeds bestaande rechtsbetrekking.2 Meijers vond deze beperking wenselijk, omdat het de mogelijkheid uitsloot om toekomstige vorderingen te cederen waarvan de schuldeiser, schuldenaar en ‘oorzaak’ nog niet bekend waren.
De Hoge Raad liet zich in 1921 uit over de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen. In hoger beroep had het Hof Amsterdam vooropgesteld dat een schuldenaar toekomstige vorderingen bij voorbaat kon leveren.3 In de onderhavige zaak had de schuldenaar zijn vorderingen, die voortvloeiden uit de wissels die hij op verschillende schuldenaren zou trekken, overgedragen. Volgens het Hof was vast komen te staan welke vorderingen waren overgedragen op het moment dat de schuldenaar de wissels had getrokken en betaalbaar had gesteld aan de schuldeiser. De overdracht was volgens het Hof geldig en daaraan stond niet in de weg dat de vorderingen niet met naam in de akte waren omschreven, omdat later kon worden vastgesteld welke vorderingen waren bedoeld.
In cassatie moest de Hoge Raad uitgaan van de feitelijke vaststelling van het Hof dat de vorderingen in eigendom waren overgegaan. De Hoge Raad overwoog ‘dat dit alleen anders zou kunnen zijn, indien wettelijke voorschriften van dwingend karakter zich tegen overdracht van nog niet bestaande toekomstige vorderingen zouden verzetten, dat echter eischer tegen hetgeen door het Hof te doen aanzien is beslist, niet is opgekomen, en bij pleidooi zelfs verklaard heeft, ’s Hofs opvatting op dit punt te deelen.’4 De Hoge Raad liet het arrest van het Hof in stand. Het college leek daardoor de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te leveren te erkennen, maar het was onduidelijk welke beperkingen hij daaraan stelde.5
Lagere rechters hebben zelf beperkingen gesteld aan de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te leveren. Sommige rechters volgden Meijers in die zin dat een vordering voldoende was bepaald als de persoon van de schuldenaar en de ‘oorzaak’ van de schuld waren omschreven in de akte.6 Andere rechters stelden geen concrete eisen aan de inhoud van de akte, anders dan het vereiste dat het voorwerp van de levering met voldoende bepaaldheid moest zijn omschreven. De Rechtbank Amsterdam overwoog bijvoorbeeld dat een cessie-akte een zodanige omschrijving van de vordering moest bevatten, dat ‘zij uit de acte gekend kan worden of althans voorziet in de wijze waarop zij door later op te maken schrifturen te dien aanzien kan worden aangevuld.’7 De Rechtbank Maastricht oordeelde echter dat de pandakte een nauwkeurige aanduiding moest bevatten van de toekomstige vorderingen.8