De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.5.3:6.5.3 Analoge toepassing van art. 6:142 BW
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.5.3
6.5.3 Analoge toepassing van art. 6:142 BW
Documentgegevens:
E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250289:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), r.o. 3.5.3. Zie § 6.3.7.c, waar ik uitgebreider de verhouding tussen de Akzo/ING-beschikking en de analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering behandel.
Zie § 6.3.7.c.
Zie § 6.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering leidt in een aantal van de onderzochte situaties tot de uitkomst volgens het door mij bepleite uitgangspunt voor compensatie. Als een crediteur bijvoorbeeld de vordering op de 403-maatschappij cedeert of verpandt, gaat daardoor ook de 403-vordering op de cessionaris over, respectievelijk krijgt de pandhouder ook een pandrecht op de 403-vordering. Er zijn echter ook situaties waarbij de analoge toepassing van art. 6:142 BW niet leidt tot de uitkomst volgens het door mij bepleite uitgangspunt. Een crediteur kan zich bijvoorbeeld op de moedermaatschappij verhalen ondanks dat hij afstand heeft gedaan van zijn vordering op de 403-maatschappij of als hij uitstel van betaling heeft verleend aan de 403-maatschappij.
De Hoge Raad heeft de analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van een 403-vordering impliciet afgewezen in zijn Akzo/ING-beschikking.1 De Hoge Raad oordeelt dat de houder van een pandrecht op de vordering van een crediteur op de 403-maatschappij niet in verzet kan komen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Ik heb echter geconcludeerd dat als art. 6:142 BW analoog van toepassing zou zijn ten aanzien van de 403-vordering, de pandhouder wél verzet zou hebben kunnen instellen.2 Om art. 6:142 BW van toepassing te laten zijn op de 403-vordering moet art. 2:403 BW dus worden gewijzigd. Ik heb hierboven echter al opgemerkt dat als de wetgever besluit om art. 2:403 BW te wijzigen, het mijn voorkeur heeft dat hij dan in deze bepaling opneemt dat de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring een afhankelijk en subsidiair karakter heeft.3