Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.3.2.7
10.4.3.2.7 Geheimhoudingsplicht als alternatief
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493453:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas). De weigering van de klager om in een faillissementsprocedure inzicht in zijn vermogenspositie te geven, resulteerde in een strafrechtelijk onderzoek wegens mogelijke fraude. Omdat klager ook daaraan zijn medewerking weigerde, werd de verlangde informatie in een zelfstandige verhaalsprocedure gevorderd. Toen hij ook dit weigerde, legden de Finse autoriteiten een bestuurlijke boete op.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 72: ‘The Court notes that it is true that the Bailiff was bound by professional secrecy. However, it is not apparent that the creditors applying for enforcement were prohibited from using any information received to their personal benefit in the pending criminal proceedings. Thus, the application of the Openness of Government Activities Act could not change the choice presented by Chapter 3, section 34(d), of the Enforcement Act: either the applicant provided the information requested or he faced the imposition of an administrative fine.’ (cursivering toegevoegd).
Ik wijs tot besluit op de zaak Marttinen. Daarin was de samenloop van een strafrechtelijk vooronderzoek naar bedrieglijke benadeling van schuldeisers met een (afzonderlijke) bestuurlijke verhaalsprocedure (‘enforcement inquiry’) aan de orde.1 Klager werd in de verhaalsprocedure gedwongen om openheid van zaken te geven over zijn vermogensbestanddelen, nadat tegen hem een strafrechtelijke procedure was gestart met betrekking tot dezelfde feiten. Dit was volgens hem in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Het Hof volgt in § 72 niet het standpunt van de Finse regering dat de verplichting van klager om informatie te verstrekken in de verhaalsprocedure, naar nationaal recht gepaard ging met de verplichting van de justitiële medewerker om belastende informatie geheim te houden. Het is namelijk niet duidelijk of het ook de crediteuren die het faillissement van klager hadden aangevraagd, verboden was om de gevorderde informatie voor hun eigen gewin te gebruiken in de strafprocedure tegen klager. De verplichting tot geheimhouding van de justitiële medewerker kon daarom niet voorkomen dat klager naar Fins nationaal recht de keuze had tussen het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medewerker of een geldboete wanneer hij dat zou weigeren.2
Hieruit volgt dat een geheimhoudingsplicht die is opgelegd aan autoriteiten die informatie van de verdachte kunnen vorderen, kennelijk eenzelfde compenserende werking heeft als een bewijsuitsluitingsregel. Het Hof overweegt in § 72 ook dat de Finse regering niet had verwezen naar nationale jurisprudentie ‘which would have authoritatively excluded the later admission in evidence against the applicant of any statements made by him in the enforcement inquiry’. Geheimhouding moet wel beletten dat de informatie kan worden gebruikt in een strafprocedure tegen de verdachte. De informatie kan dan wel voor niet-punitieve (toezichts)doeleinden worden gebruikt.