Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.2.5
2.5 Wet medezeggenschap werknemers
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS385219:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2002-2003, 28 72, nr. 1. Zie Sprengers 2003a.
SER-advies ‘Aanpassing van de Wet op de Ondernemingsraden’, uitgave van de Sociaal- Economische Raad 19 december 2003, nr. 12 (‘SER-advies Wijziging WOR’).
SER-advies Wijziging WOR, p. 35.
SER-advies Wijziging WOR, p. 50.
Zie over dit SER-advies en de adviesaanvraag verder Van het Kaar 2003, Bungener 2003, Sprengers 2003b en Duk 2004a.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 818, nrs. 1-2.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 818, nr. 4, p. 3.
Kamerstukken II 2004-2005, 29 818, nr. 5, p. 12 e.v.
Duk 2004b, Jellinghaus 2004, Sprengers en Van Leeuwen 2004, Duk 2005, Holtzer 2005, Van het Kaar 2005a, Sprengers 2005, Verburg 2005, Burger 2006, Duk 2006.
Kamerstukken II 2005-2006, 29 818, nr. 28.
Met de zojuist samengevatte systematiek van informatie aan, overleg met en advies door de ondernemingsraad lijkt een vrijwel onwrikbaar fundament voor de medezeggenschap in Nederland te zijn gelegd. Tijdens de herzieningen van de WOR is verschillende malen aan de orde geweest of de rechten van de ondernemingsraad uitbreiding zouden behoeven. De belangrijkste steeds terugkerende thema’s in de gedane voorstellen zijn de koppeling van een beroepsrecht aan het initiatiefrecht dan wel aan het adviesrecht inzake benoeming en ontslag van bestuurders, en toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad. Behoudens wijzigingen van technische of relatief ondergeschikte aard, heeft de wetgever sinds 1979 geen enkel voorstel tot wezenlijke uitbreiding van bevoegdheden geaccepteerd.
De zojuist gesignaleerde onwrikbaarheid lijkt ook de andere kant op te werken. Ongeveer parallel aan de discussie over de wijziging van de structuurregeling ontstond de vraag of ook de WOR gewijzigd zou moeten worden. Dit debat kwam op gang door het verschijnen van het kabinetsstandpunt volgend op de evaluatie van de WOR.1 Het meest in het oog springende aspect daarvan was dat de gedachte werd geopperd dat ook de mogelijkheid tot vermindering van medezeggenschapsrechten een wettelijke regeling zou behoeven.
Op 19 december 2003 bracht de SER advies uit over de aanpassing van de WOR.2 Over het kabinetsvoorstel om te komen tot beperking van de bevoegdheden van de ondernemingsraad, merkte de SER op dat in de adviesaanvraag niet was gespecificeerd welke bevoegdheden het kabinet op het oog had. Wel waren er voorbeelden genoemd van situaties waarin de behoefte tot vermindering van rechten zou kunnen bestaan, waaronder de reeds jaren bestaande ondernemingsraad die met een andere invulling van zijn bevoegdheden beter wilde aansluiten op de behoeften in de onderneming, of de beginnende raad die nog in zijn werk moest groeien en in dat kader tijdelijk minder bevoegdheden wilde hebben.3 Van die bevoegdheden zou een ondernemingsraad ad hoc moeten kunnen afzien indien de gevolgen hiervan voor werknemers in voldoende mate kenbaar waren. Volgens de SER kwam dit in de praktijk al vaker voor. De SER vond dat de wet buiten twijfel zou moeten stellen dat een ondernemingsraad die afziet van de uitoefening van adviesrecht over een specifiek voorgenomen besluit, zich niet op een later moment alsnog tot de Ondernemingskamer zou kunnen wenden. Het opgeven van die bevoegdheid zou overigens de verplichting van de ondernemer om de ondernemingsraad in kennis te stellen van dat besluit onverlet laten.4 Op de vraag of de raad niet alleen ad hoc, maar ook structureel van rechten zou kunnen afzien, reageerde de SER verdeeld.
Het SER-advies Wijziging WOR5 leidde tot een wetsvoorstel waarin, tot verbazing van velen, de gehele WOR werd vervangen door een nieuwe wet, de Wet medezeggenschap werknemers (WMW).6 In de memorie van toelichting werd deze beweging (summier) toegelicht met het opsommen van een aantal doelstellingen van de nieuwe wet, waaronder het vergroten van de toegankelijkheid, het aanbrengen van een aantal kleinere wijzigingen en het schrappen van verouderde bepalingen. Voorts werd de nadruk gelegd op flexibiliteit en maatwerk in de medezeggenschap.
In aansluiting op het SER-advies werd in het wetsvoorstel een regeling opgenomen die zowel betrekking had op situaties waarin de ondernemingsraad ad hoc zou afzien van het uitoefenen van zijn bevoegdheden als op de mogelijkheid dat bij ondernemingsovereenkomst voor een zekere periode werd vastgelegd dat de raad bepaalde bevoegdheden niet zou benutten. De regering zag geen noodzaak om een regeling voor te stellen over afspraken om af te wijken van de toepassing van wettelijke bepalingen. De beoordeling of een beslissing van de ondernemer als ‘belangrijk’ diende te worden beschouwd, moest immers in het kader van de sociale, procedurele, economische en organisatorische aspecten van die beslissing in onderlinge samenhang worden gewogen. Die benadering leende zich niet voor vastlegging in de wet.7
Op het belangrijke punt van het verminderen van bevoegdheden van de ondernemingsraad nam de regering een duidelijk standpunt in: dit zou moeten kunnen. In een nieuw artikel 6:31 WMW werd bepaald dat bij schriftelijke overeenkomst aan de ondernemingsraad verdere bevoegdheden konden worden toegekend dan de wettelijke, maar dat de advies- en instemmingsrechten ook voor minder dan de in de wet genoemde aangelegenheden konden worden toegekend. Voorts kon bij schriftelijke overeenkomst het instemmingsrecht worden omgezet in een adviesrecht. In de memorie van toelichting werd gewezen op de noodzaak de bevoegdheden van de ondernemingsraad te doen aansluiten op de situatie in de onderneming. De huidige regeling was daartoe te star en zou moeten worden vervangen. Bij die bevoegdhedenvermindering zou het moeten gaan om een aanpassing van het pakket van bevoegdheden en zeker niet om het laten vervallen van alle bevoegdheden. Strijd met de grondwettelijk vastgelegde opdracht tot regeling van de medezeggenschap was niet aan de orde, aangezien het niet de bedoeling was dat met deze regeling alle advies- en instemmingsrechten zouden vervallen.8
Nieuw ten opzichte van het SER-advies Wijziging WOR was ook een wijziging van de rechten van de ondernemingsraad inzake het voeren van overleg met de ondernemer en de toezichthouders. De wettelijk voorgeschreven vergadering waarin de algemene gang van zaken in de onderneming wordt besproken werd in de WMW teruggebracht van twee- naar minimaal eenmaal per jaar. Het zou dan aan de ondernemingsraad en de ondernemer zijn eventueel af te spreken dat de algemene gang van zaken vaker werd besproken.9
Het voorstel voor de WMW is op felle kritiek gestuit. De Raad van State concludeerde dat de WMW geen grenzen stelde aan de mogelijkheden tot inperking dan wel omzetting van de rechten en bevoegdheden van de ondernemingsraad, terwijl hierover ook in de memorie van toelichting niets werd vermeld.10 In de parlementaire behandeling werden vele kritiekpunten van technische en inhoudelijke aard naar voren gebracht, waarbij op inhoudelijk vlak de bezwaren tegen vermindering van rechten sterk werden aangezet.11 De vermindering van het aantal vergaderingen over de algemene gang van zaken stuitte eveneens op bezwaren; daarbij werd gewezen op de corporate governance- discussie en op de vraag aan welke eisen een goed toezicht dient te voldoen, waarbij de mate van contact tussen commissarissen en ondernemingsraad van belang werd geacht. In de juridische literatuur kon het ontwerp voor de WMW evenmin op waardering rekenen.12 Bij brief van 5 oktober 200513 werd het wetsvoorstel ingetrokken.
Daarmee lijkt de conclusie gerechtvaardigd te zijn dat de wil van de wetgever om te komen tot een al dan niet fundamentele herziening van het medezeggenschapsrecht in Nederland ontbreekt. Zo lijkt het denken rondom de wettelijke systematiek, althans de mogelijkheid deze gedachten tot uitvoering te brengen, vast te zitten. De maatschappelijke opvattingen en de juridische verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokkenen zijn sinds de tweede helft van de vorige eeuw in sterke mate gewijzigd. Tot wezenlijke aanpassingen van de WOR heeft dit alles niet geleid.