Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.2.3
2.3 Het adviesrecht van de ondernemingsraad
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS385218:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975-9176, 13 954, nr. 3, p. 38.
SER-advies over enige knelpunten in het praktisch functioneren van de ondernemingsraad en de personeelsvergadering en over eventuele wijzigingen van de Wet op de ondernemingsraden, 15 mei 1992, nr. 92/07 (‘SER-advies Knelpunten’), p. 18.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3, p. 23.
Kamerstukken I 1978-1979, 13 954, nr. 8d, p. 5.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 615, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken II 1965-1966, 13 954, nrs. 1-3, p. 39. Daarin werd verwezen naar het specifiek over het beroepsrecht ingediende wetsontwerp 13 350, dat later is ingetrokken.
Kamerstukken I 1978-1979, 13 954, nr. 8d, p. 21. De lezer herkent hier mogelijk de leer die in de jurisprudentie de Lingeziekenhuis-doctrine is gaan heten, naar aanleiding van de eerste uitspraak van de Ondernemingskamer (OK 1 mei 1980, NJ 1981, 271 m.nt. Maeijer). Die doctrine houdt onder meer in dat de ondernemingsraad tegen een door de ondernemer reeds genomen adviesplichtig besluit, zonder dat advies van de ondernemingsraad is verkregen, beroep kan instellen wanneer van een besluit in overeenstemming met een door de ondernemingsraad uitgebracht advies geen sprake is.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nrs. 1-3, p. 42; zie ook de memorie van toelichting bij wetsontwerp 13 350.
De kern van het toekennen van invloed aan de ondernemingsraad op strategische besluiten van de vennootschap is gelegen in het adviesrecht. De wetgever heeft bedoeld te bevorderen dat de raad in een “zo vroeg mogelijk stadium” wordt geraadpleegd.1 In afwijking van de SER2 is de wettelijke verplichting opgenomen om afspraken te maken over het moment en de manier waarop de raad in de besluitvorming wordt betrokken (artikel 24 lid 1 laatste volzin WOR). Het doel hiervan is de rechten van de ondernemingsraad te versterken. Er bestaat een spanning tussen de verwachting dat de raad adviseert op een tijdstip dat hij nog wezenlijke invloed kan uitoefenen en het feit dat de ondernemer, gelet op de gedetailleerde informatie die hij moet verschaffen, zijn besluitvorming reeds grotendeels moet hebben afgerond.3
De verplichting advies aan de ondernemingsraad te vragen over specifieke strategische besluiten is in artikel 25 WOR geconcretiseerd. De wetgever heeft van meet af aan voor ogen gestaan hierin een limitatieve lijst op te nemen, zij het dat beseft werd dat de begripsomschrijvingen op sommige punten noodzakelijkerwijs vaag waren.4 In die opsomming speelt het begrip ‘belangrijk’ een rol van betekenis. Bij de invulling daarvan zijn volgens de wetgever de aard en de omvang van de activiteit van de onderneming in hun geheel relevant. In geval van twijfel aan het belang van een besluit zou de ondernemer er verstandig aan doen zekerheidshalve toch het advies van de ondernemingsraad te vragen.5 Ook besluiten zonder directe sociale gevolgen of consequenties voor de werkgelegenheid kunnen wel degelijk belangrijk zijn. De medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad strekken namelijk niet alleen ter behartiging van de eigen werknemersbelangen, maar meer algemeen ter behartiging van het belang van de onderneming in al haar doelstellingen.6
De suggestie om in de plaats van die limitatieve lijst een algemene omschrijving op te nemen is door de wetgever verworpen. Een dergelijke kapstokbepaling zou tot te grote onzekerheid voor de ondernemer leiden. Voorts zou dit de aandacht te veel op procedurele aspecten richten en niet op de inhoud van de besluitvorming.7 De wetgever vond met name dat er geen discussie zou mogen ontstaan over adviesrecht over vennootschappelijke besluiten zoals winstbestemming, uitgifte en intrekking van aandelen en beursnoteringen.8
De wetgever heeft verstrekkende bevoegdheden tot het naleven van het adviesrecht aan de ondernemingsraad toegekend. Wanneer een besluit niet overeenstemt met het advies van de raad, kan hij beroep instellen bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer kan, naast een verklaring voor recht, de uit de wet bekende voorzieningen opleggen, die neerkomen op het intrekken en ongedaan maken van het besluit. De wetgever vond deze sancties noodzakelijk bij het zetten van stappen op de weg naar verzelfstandiging van de ondernemingsraad.9
Tijdens het parlementaire debat over het voorstel voor de WOR 1979 is gesproken over een aan de ondernemingsraad toe te kennen beroepsrecht indien de ondernemer na het advies van de raad zou beslissen het aanvankelijk voorgenomen besluit niet te nemen. Die suggestie is verworpen. Daarbij is benadrukt dat de ondernemer alleen advies hoeft te vragen over door hemzelf voorgenomen besluiten om iets te doen, dat wil zeggen niet over besluiten om iets niet te doen.10
Eveneens is gesproken over wat de status van het beroepsrecht zou moeten zijn indien de ondernemer zou besluiten zonder daartoe eerst het advies van de ondernemingsraad te hebben gevraagd. Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer werd het standpunt daarover als volgt weergegeven:
“Artikel 25 schetst in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel de gang van zaken, zoals deze volgens de wet dient plaats te vinden bij het vragen van advies en het nemen van een besluit door de ondernemer. Deze regeling sluit echter uiteraard niet uit dat een ondernemer ook zonder advies van de ondernemingsraad besluiten als bedoeld in dit artikel kan nemen. Dat kan zich voordoen wanneer de ondernemer in strijd met zijn wettelijke verplichting de ondernemingsraad niet in de gelegenheid stelt om advies uit te brengen, maar ook wanneer de ondernemingsraad, hoewel om advies gevraagd, geen advies uitbrengt. In beide gevallen is de ondernemer toch gebonden aan de opschortingstermijn van artikel 25, zesde lid: zijn besluit stemt immers niet overeen met het advies van de ondernemingsraad, want er is geen advies van de ondernemingsraad. (…) In deze beide gevallen kan de ondernemingsraad dus ook beroep instellen bij de Ondernemingskamer.”11
Daarnaast is gedebatteerd over het koppelen van het beroepsrecht aan het initiatiefrecht van de ondernemingsraad. Dit werd afgewezen. De consequenties van een dergelijk recht waren volgens de regering niet te overzien, juist omdat het beroepsrecht was voorgesteld voor een beperkt aantal in artikel 25 WOR omschreven belangrijke beslissingen van de ondernemer. Het recht om bij de Ondernemingskamer beroep in te stellen diende beperkt te blijven tot de wettelijk bepaalde belangrijke beslissingen van de ondernemer.12
De beleidsvrijheid van de ondernemer zag de wetgever gewaarborgd door de marginale toetsing die de Ondernemingskamer daarop kon uitoefenen. Deze marginale toetsing volgde uit de norm dat het beroep uitsluitend mogelijk was in gevallen waarin de ondernemer bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen. De ondernemer zou dankzij (de beperkingen van) die toetsing een ruime mate van beleidsvrijheid behouden waarbinnen hij zelfstandig beslissingen kon nemen. De grenzen van die vrijheid werden aangegeven met een aan het administratief recht ontleende formule, die beoogde te bereiken dat de ondernemer, evenals een overheidsorgaan, alle relevante belangen tegen elkaar moest afwegen. Dat gold in die zin dat de belangen die relevant waren voor de ondernemer dat niet behoefden te zijn voor de overheid en omgekeerd. De ondernemer mocht uiteindelijk immers het ondernemingsbelang laten prevaleren, hetgeen een andere inhoud had dan het algemeen belang dat voor de overheid doorslaggevend moest zijn. Waar het in wezen zou gaan om een geschil tussen ondernemer en ondernemingsraad over gevoerd beleid, bestond er naar het oordeel van de wetgever geen reden om een voorziening in de wet op te nemen.13