Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.5.2.2
3.3.5.2.2 De economische eigendom
1
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717279:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De zuivere economische eigendom dient mijns inziens niet te worden verward met het economisch belang, dat uit de splitsing van macht en belang bij de trustfiguur voortvloeit. Zie voor de uiteenzetting van het begrip ‘economische eigendom’: W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995. Zie ook paragraaf 5.2.3.
W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 12-13; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Kluwer 2018, hoofdstuk 7; W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 425-427.
HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8838, NJ 2007/155, m.nt. P. van Schilfgaarde (Nebula), r.o. 3.4 en HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687, NJ 2004/316, m.nt. P.A. Stein (Vagobel/Geldnet). Zie ook: W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 12-15.
Het woord ‘overdracht’ is volgens Huijgen in de context van de economische eigendom onjuist, aangezien er niets wordt overgedragen krachtens art. 3:84 lid 1 BW. Dit kan analoog worden toegepast op het Curaçaose recht. Zie in dit verband: W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 13-14; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Kluwer 2018, par. 7.4.
C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 295 e.v.; T.J. Mellema-Kranenburg, ‘commentaar op art. 6:159 BW’, in: R.J.Q. Klomp & H.N. Schelhaas (red.), Groene Serie Verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer; W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 14-15.
Zie ook paragraaf 3.3.3.3.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 5.
Deze verplichtingen hoeven niet per definitie schulden te zijn.
Zie ook: W.G. Huijgen, Economische eigendom, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 13-14.
Een ander uitzonderlijk geval is de zogenoemde economische eigendom. De economische eigendom is de verzamelnaam voor constructies die een splitsing van het eigendomsrecht behelzen, waarbij de één formeel rechthebbende is van een goed en aldus de juridische eigenaar, terwijl aan de ander, de economische eigenaar, enkel het economisch belang toekomt.2
Alhoewel van deze constructie in de praktijk veelvuldig gebruik wordt gemaakt, heeft het Curaçaose burgerlijk recht net als het Nederlandse, de economische eigendom niet in de wet opgenomen. Ten grondslag hieraan ligt het feit dat de term ‘economische eigendom’ niet meer is dan een geheel van verbintenissenrechtelijke rechten en verplichtingen.3 Derhalve is de ‘economische eigendom’ niet aan te merken als eigendom ex art. 5:1 BWC.4 De overdracht van deze groep rechten en verplichtingen is dan slechts mogelijk via een contractsoverneming ex art. 6:159 BWC, mits de juridische eigenaar hieraan zijn medewerking verleent.5
In de reeds aangehaalde passage6 uit de memorie van toelichting heeft de Curaçaose wetgever het volgende over de economische eigendom opgemerkt:
“Zo wordt de term overdracht vermeden, maar wordt gesproken van het in de macht brengen van de trustee, hetgeen een zgn. ‘economische eigendomsoverdracht’ niet uitsluit, waarbij aan de trustee persoonlijke rechten worden verschaft.”7
In casu heeft de wetgever niet stilgestaan bij de verplichtingen die aan deze rechten kunnen zijn verbonden. Zoals in het bovenstaande al is besproken, bestaat de constructie ‘economische eigendom’ niet louter uit contractuele rechten, doch ook uit verplichtingen. Er worden aldus naast de persoonlijke rechten als onderdeel van een geheel, ook verplichtingen ‘overgedragen’.8
Voorts ben ik van mening dat het begrip ‘economische eigendomsoverdracht’ in dit specifieke geval vermeden dient te worden. Het motief hiervoor is dat er geen daadwerkelijke overdracht ex art. 3:84 BWC plaatsvindt, zodat het gebruik van het begrip verwarring met zich mee kan brengen.9 Daarnaast leidt het gebruik van deze term tot een botsing met het karakter van de trust, waarbij – indien een overdracht ten titel van trust plaatsvindt – wel sprake is van een werkelijke overdracht ex art. 3:84 BWC.