Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/8.2.6
8.2.6 Verslag over naleving van sectorale governancecodes
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392059:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook het ‘Gezamenlijk kader Goed Bestuur van de IGZ en de NZa’ op www.igz.nl en Plomp 2016, p. 105.
Om die reden kan in sectorwetgeving aan de minister in de desbetreffende sector de bevoegdheid worden gegeven (via een toelatings- of bekostigingsvoorwaarde) een of meer codes aan te wijzen die door de stichting in die sector nageleefd moeten worden met de verplichting jaarlijks verantwoording af te leggen over toepassing en naleving. Overes 2016, p. 62.
Aldus ook Plomp 2016, p. 119.
Zie onder meer Klaassen 2016.
Voor stichtingen in verschillende sectoren zijn governancecodes opgesteld. Governancecodes zijn een vorm van zelfregulering, waarbij in veel gevallen het principe “pas toe of leg uit” geldt. Zelfregulering houdt in dat de code zonder tussenkomst van de overheid is opgesteld bijvoorbeeld door een brancheorganisatie waarbij veel stichtingen in de desbetreffende sector zijn aangesloten. Stichtingen in die sector hebben zich verbonden aan de code, voeren deze uit en houden deze, eventueel middels een brancheorganisatie, actueel.
Gebondenheid aan een sectorale code
Het bestuur en de raad van toezicht van de stichting zijn verantwoordelijk voor de naleving van de toepasselijke sectorcode. Naleving is, net als bij de NCGC 2016, in veel gevallen gebaseerd op het ‘pas toe of leg uit’- principe.
Sommige sectorale governancecodes gelden (mede) op grond van lidmaatschapsverhoudingen. De governancecode zorg (GCZ 2017) geldt bijvoorbeeld voor door de overheid bekostigde of gefinancierde zorginstellingen die lid zijn van één van de brancheorganisaties die zijn aangesloten bij de Brancheorganisatie Zorg (BoZ). Blijkens de inleiding bij de GCZ 2017 is de inzet dat de code ook zo veel mogelijk wordt nageleefd door zorgaanbieders die geen lid zijn van één van de vijf genoemde brancheorganisaties. Ook andere zorginstellingen kunnen de code vrijwillig van toepassing verklaren, aldus de inleiding bij de GCZ 2017. Hoewel vrijwilligheid dus vooralsnog voorop lijkt te staan, is interessant om te zien dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) enige tijd geleden heeft aangekondigd goed bestuur meer bij het reguliere toezicht te betrekken en daarbij de naleving van de code prominent zal gaan gebruiken.1
Governancecodes kunnen niet alle stichtingen in een sector binden, waardoor ongerechtvaardigde verschillen kunnen ontstaan tussen stichtingen in die sector (zie ook paragraaf 9.2.2 hierna).2
Verantwoording afleggen aan wie?
Bij een beursvennootschap leggen het bestuur en de raad van commissarissen aan de algemene vergadering verantwoording af over de naleving van de NCGC en voorzien eventuele afwijkingen van de principes en best practice- bepalingen van een inhoudelijke en overzichtelijke uitleg.
Stichtingen kennen geen algemene vergadering en om die reden is des te meer van belang dat stichtingen die belanghebbende derden kennen, met name derden die aan het vermogen van de stichting hebben bijgedragen (zoals donateurs), openbaar verantwoording afleggen.
Gemotiveerde afwijking moet mogelijk zijn!
Corporate governance is een kwestie van maatwerk en afwijkingen kunnen, zoals eerder opgemerkt, gerechtvaardigd zijn. Niet van alle bepalingen uit sectorcodes kan echter even gemakkelijk afgeweken worden. Afwijking van de principes en gedragsregels die voor zorginstellingen zijn opgenomen in de GCZ 2017 lijkt bijvoorbeeld lastig aangezien de GCZ 2017 niet gebaseerd is op het ‘pas toe of leg uit’-beginsel, maar het ‘pas toe en leg uit’-beginsel.3 Een andere ontwikkeling in de zorg is dat sommige grote zorgverzekeraars, waarmee zorginstellingen contracten moeten sluiten, eisen stellen aan de statuten en reglementen. Zorginstellingen moeten aantoonbaar de GCZ 2017 hebben ingevoerd en met statuten kan een zorginstelling laten zien dat hij daaraan voldoet. Daarbij wordt weinig ruimte geboden voor afwijking van de code. In de literatuur is daarop, mijns inziens terecht, kritiek geuit.4
Afwijking van een bepaling uit een governancecode zou naar mijn mening mogelijk moeten zijn, zeker als afwijking geen afbreuk doet aan good governance en de verwezenlijking van het stichtingsdoel. De motivering waarom governancebepalingen wel en niet nageleefd worden is immers het meest interessant aangezien dit echte informatie biedt aan belanghebbenden.