De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.3.1:5.3.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383699:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf worden de taak en de taakomschrijving van de raad van toezicht uitgewerkt.
Nagegaan wordt wat “toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken” inhoudt. Bovendien komt, in het slot van deze paragraaf, de adviserende taak aan de orde.
Aangezien ook de raad van commissarissen van een corporatieve rechtspersoon tot taak heeft toezicht te houden op het bestuursbeleid en op de algemene gang van zaken, is hetgeen over deze taak voor corporatieve rechtspersonen nader is geregeld en uitgemaakt in de jurisprudentie ook relevant voor de raad van toezicht. Deze paragraaf gaat in op de vraag wat de taak van de raad van commissarissen meer concreet inhoudt en wat van commissarissen in dat kader wordt verwacht.
Naast overeenkomsten zijn er ook belangrijke verschillen tussen corporatieve rechtspersonen en stichtingen die in het oog gehouden moeten worden. In het voorgaande hoofdstuk 4 werden twee belangrijke verschillen tussen stichtingen en corporatieve rechtspersonen belicht: stichtingen hebben een vermogen dat doelgebonden is en stichtingen mogen geen algemene vergadering van leden of aandeelhouders hebben. Daarnaast is een in het oog springend verschil tussen stichtingen en verenigingen enerzijds en NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen anderzijds dat laatstgenoemde rechtspersonen een onderneming hebben, om welke reden zij ook wel “commerciële rechtspersonen” genoemd worden. Stichtingen voeren niet noodzakelijkerwijs een onderneming. Zoals bleek in paragraaf 4.2.3 ging de wetgever ten tijde van de WS 1956 uit van een normaaltype stichting dat geen onderneming heeft, terwijl het normaaltype kapitaalvennootschap wel een onderneming heeft. Tegelijk dient opgemerkt te worden dat men er tegenwoordig, impliciet, van uitgaat dat een stichting een onderneming kan hebben, zo blijkt bijvoorbeeld uit artikel 2:300a BW.
Deze paragraaf gaat in op de (consequenties van) verschillen tussen stichtingen en andere rechtspersonen en de invloed van deze verschillen op de algemene toezichthoudende taak. Aan de orde komt onder meer de vraag of het terecht is om de taak van het toezichthoudend orgaan voor alle rechtspersonen te uniformeren.