Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.6.2.2:6.6.2.2 Gelijkwaardige vergoeding bij een LBO?
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.6.2.2
6.6.2.2 Gelijkwaardige vergoeding bij een LBO?
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410240:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Crocker & Agsten 2010, p. 2.
Zie bijvoorbeeld Boyer v. Crown Stock Distribution Inc., et al., 587 F.3d 787 (7th Cir. 2009).
Equivalent value werd wel aanwezig geacht in Mellon Bank, N.A. v. Metro Communications, Inc., 945 F.2d 635 (3d Cir. 1991), p. 646-648 en C-T of Virginia, Inc. v. Euroshoe Assocs. L.P., 762 F. Supp 675 (W.D. Va. 1991), p. 678-679.
Boyer v. Crown Stock Distribution Inc., et al., 587 F.3d 787 (7th Cir. 2009), p. 792.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel van de stappen waaruit een LBO bestaat, kunnen individueel worden aangemerkt als transfers waarvoor de vennootschap een gelijkwaardige vergoeding krijgt. Door de LBO te consolideren tot één fictieve transfer resulteert echter een vermogensoverdracht waarvoor de vennootschap in beginsel géén (gelijkwaardige) vergoeding krijgt. De vennootschap heeft krediet aangetrokken en daarmee haar oude aandeelhouders betaald; vanuit dit perspectief krijgt de vennootschap zelf niets terug voor het aangaan van de terugbetalingsverplichting jegens de banken en de vestiging van de zekerheden. Anders geformuleerd behelst de LBO een grote dividenduitkering waarbij de aandelen in de vennootschap van hand wisselen;1 voor de (indirecte) betaling aan haar verkopende aandeelhouders krijgt de vennootschap zelf geen gelijkwaardige vergoeding.
In de regel menen rechters dat de aan een LBO verbonden indirecte voordelen evenmin een gelijkwaardige vergoeding opleveren.2 Slechts in uitzonderlijke gevallen is geoordeeld dat de indirecte voordelen die een LBO meebracht voor het doelwit als reasonably equivalent value kwalificeerden.3 Een nieuw (en beter) bestuur, synergievoordelen en een toegenomen beschikbaarheid van krediet worden doorgaans als onvoldoende vergoeding beschouwd voor de financiële belasting die de LBO voor het doelwit meebrengt.4
Zo overwoog het Court of Appeals (7th Cir. 2009) dienaangaande: “[I]f the burden of debt created by the transaction was so heavy that the corporation had no reasonable prospect of surviving [then payments to the shareholders by the purchaser are] deemed a fraudulent conveyance because in exchange for the money the shareholders received they provided no value to the corporation but merely increased its debt and by doing so pushed it over the brink.”5